'Kleren zijn van onmiskenbaar belang'
'Kleren zijn van onmiskenbaar belang, dacht hij.
Vooral wanneer de jaren vorderen.'
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.116
woensdag, december 08, 2004
zondag, december 05, 2004
Een Goede Les
een fijn Sinterklaassprookje

Een Goede Les
Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433
een fijn Sinterklaassprookje
Een Goede Les
Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433
woensdag, december 01, 2004
Op Weg naar het Einde
"Waarom dan mij niet...?"
'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"
Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9
"Waarom dan mij niet...?"
'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"
Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9
zondag, november 28, 2004
Geen hoop
'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23
'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23
zondag, november 21, 2004
'Want in veel wijsheid is veel verdriet'
'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217
'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217
vrijdag, november 19, 2004
'De oorlog is een gruwelijk bedrijf'
'De oorlog is een gruwelijk bedrijf, dat over akkers en steden een doodskleed van onstilbare rouw legt, al verjongt hij wel een volk, dat is een feit, al wordt het soms brutaalweg geloochend.'
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.194
'De oorlog is een gruwelijk bedrijf, dat over akkers en steden een doodskleed van onstilbare rouw legt, al verjongt hij wel een volk, dat is een feit, al wordt het soms brutaalweg geloochend.'
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.194
maandag, november 15, 2004
Tragisch
'Echt van het bestaan genoten heb ik nooit, noch mij in het leven echt thuisgevoeld. Ik vond voor die toestand van mij een woord dat het altijd en overal doet, en dat U al eerder bent tegengekomen: tragisch. Want tragisch is altijd goed. En een tragische roman of een tragisch verhaal of een tragische brief schrijven dat is veel gemakkelijker dan iets schrijven dat grappig is. De mensen lezen trouwens liever ellende dan al dat gedans en gespring.'
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.180
'Echt van het bestaan genoten heb ik nooit, noch mij in het leven echt thuisgevoeld. Ik vond voor die toestand van mij een woord dat het altijd en overal doet, en dat U al eerder bent tegengekomen: tragisch. Want tragisch is altijd goed. En een tragische roman of een tragisch verhaal of een tragische brief schrijven dat is veel gemakkelijker dan iets schrijven dat grappig is. De mensen lezen trouwens liever ellende dan al dat gedans en gespring.'
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.180
donderdag, november 11, 2004
'Zijn tent was onder de mensen'
‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen, dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.56
‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen, dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.56
woensdag, november 10, 2004
De Meedogenloze Jongen. Wie is hij?
'De Meedogenloze Jongen komt al voor in 1966, in een verhaal dat Brief In De Nacht Geschreven heet, en terecht is opgenomen in mijn avonturenroman Nader Tot U, die vele lezers heeft wakker geschud. Ook toen verscheen hij mij, en eveneens in een tent, zoals velen zich herinneren.
Wie is hij? In het werk van tijdgenoten komt hij niet voor, noch in andere geïnspireerde geschriften. Hij is wreed, en wil jongens martelen maar tegelijkertijd erg lief voor ze zijn en ze van alles ten geschenke geven, dus hij wordt overal verjaagd. Is hij de verbreider van het revisme? Stellig belichaamt hij iets dat komende is in de wereld. Zoude hij mijn graf willen bewaken? Ik durf zoiets niet te vragen, maar ik zoude het wel op prijs stellen. (Ik schrijf voor mensen en ook voor vele dieren die zelf niet lezen. Dus het moet begrijpelijk zijn wat ik schrijf, als het maar mooi is en troost schenkt aan allen die deze van node hebben.)'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.158
'De Meedogenloze Jongen komt al voor in 1966, in een verhaal dat Brief In De Nacht Geschreven heet, en terecht is opgenomen in mijn avonturenroman Nader Tot U, die vele lezers heeft wakker geschud. Ook toen verscheen hij mij, en eveneens in een tent, zoals velen zich herinneren.
Wie is hij? In het werk van tijdgenoten komt hij niet voor, noch in andere geïnspireerde geschriften. Hij is wreed, en wil jongens martelen maar tegelijkertijd erg lief voor ze zijn en ze van alles ten geschenke geven, dus hij wordt overal verjaagd. Is hij de verbreider van het revisme? Stellig belichaamt hij iets dat komende is in de wereld. Zoude hij mijn graf willen bewaken? Ik durf zoiets niet te vragen, maar ik zoude het wel op prijs stellen. (Ik schrijf voor mensen en ook voor vele dieren die zelf niet lezen. Dus het moet begrijpelijk zijn wat ik schrijf, als het maar mooi is en troost schenkt aan allen die deze van node hebben.)'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.158
dinsdag, november 09, 2004
maandag, november 08, 2004
’Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook’
‘Ik wil niet dat U het zich allemaal aantrekt; Uw Schuld is het zeker niet. En U behoeft niet katholiek te worden. Ja, als U echt niet meer te houden bent, dan bemoei ik me er niet meer mede. Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht; voor de gehele schepping, voor alles wat adem heeft; en voor alle doden, die wachten op de Verrijzenis en de Verlossing van alle Vlees. Amen. (Stilte. Zwijgend knikken. Hier en daar wist men ogen af met zakdoek.)'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.141
‘Ik wil niet dat U het zich allemaal aantrekt; Uw Schuld is het zeker niet. En U behoeft niet katholiek te worden. Ja, als U echt niet meer te houden bent, dan bemoei ik me er niet meer mede. Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht; voor de gehele schepping, voor alles wat adem heeft; en voor alle doden, die wachten op de Verrijzenis en de Verlossing van alle Vlees. Amen. (Stilte. Zwijgend knikken. Hier en daar wist men ogen af met zakdoek.)'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.141
zondag, november 07, 2004
’Een eeuwige pelgrim naar een immer wenkende horizon’
‘Maar de dood sloeg eigenlijk overal toe waar het hem zinde, schijnbaar zonder systeem, bij jong en oud. In dit recente geval bij jong, als men Jean Luc nog echt jong kon noemen: hij zoude over drie maanden 28 jaar zijn geworden, bijna dus reeds een vieze oude man van boven de dertig.
Bij deze gedachte nam ik opnieuw voor de spiegel mijn eigen gestalte in ogenschouw, en die viel mij mede. Mijn verschijning had iets tijdloos: ik had geen leeftijd omdat ik een eeuwige pelgrim was naar een immer wenkende horizon. Helemaal geen lelijke gozer, en voor de liefhebbers van het soort nog steeeds een buitenkansje.’
Gerard Reve in : Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam /Antwerpen 1996 p.102, 103.
‘Maar de dood sloeg eigenlijk overal toe waar het hem zinde, schijnbaar zonder systeem, bij jong en oud. In dit recente geval bij jong, als men Jean Luc nog echt jong kon noemen: hij zoude over drie maanden 28 jaar zijn geworden, bijna dus reeds een vieze oude man van boven de dertig.
Bij deze gedachte nam ik opnieuw voor de spiegel mijn eigen gestalte in ogenschouw, en die viel mij mede. Mijn verschijning had iets tijdloos: ik had geen leeftijd omdat ik een eeuwige pelgrim was naar een immer wenkende horizon. Helemaal geen lelijke gozer, en voor de liefhebbers van het soort nog steeeds een buitenkansje.’
Gerard Reve in : Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam /Antwerpen 1996 p.102, 103.
donderdag, november 04, 2004
'Dan wilde ik wel met hem medegaan.'
'Was hij, die jongeman dus, de Dood? Dan wilde ik wel met hem medegaan. Een mooie jongen, die vond je niet zo maar overal, en naarmate men ouder werd bleef het meer en meer een leven van behelpen. Daarmede bedoel ik niet dat ik in mijn toestand in staat was enig oordeel te vellen of iets te begrijpen, maar zijn verschijning stelde mij gerust. Ik denk dat ik mij gevoelde als een dier dat door ziekte of zwakte weerloos is geworden en een mens op zich af ziet komen die het goed met hem meent. Want een dier weet dat, door geheime kennis die nooit ontraadseld is.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 84
'Was hij, die jongeman dus, de Dood? Dan wilde ik wel met hem medegaan. Een mooie jongen, die vond je niet zo maar overal, en naarmate men ouder werd bleef het meer en meer een leven van behelpen. Daarmede bedoel ik niet dat ik in mijn toestand in staat was enig oordeel te vellen of iets te begrijpen, maar zijn verschijning stelde mij gerust. Ik denk dat ik mij gevoelde als een dier dat door ziekte of zwakte weerloos is geworden en een mens op zich af ziet komen die het goed met hem meent. Want een dier weet dat, door geheime kennis die nooit ontraadseld is.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 84
woensdag, november 03, 2004
"tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood"
'Neen, hij was meedogenloos geweest, met een bizondere wreedheid die door onverschilligheid werd gevoed. Hij was wreed geweest, jawel, en een hartbrekend monster, reken maar. Daarom had ik zoveel van hem gehouden, en treurde ik bijna tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood, terwijl hij nog een geheel leven voor zich had kunnen hebben, vol wreedheid die een blijvend verdriet gezaaid zoude hebben in ontelbare harten, vooral die van zeer jonge personen, scholieren veelal die eigenlijk nog kinderen waren.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 38
'Neen, hij was meedogenloos geweest, met een bizondere wreedheid die door onverschilligheid werd gevoed. Hij was wreed geweest, jawel, en een hartbrekend monster, reken maar. Daarom had ik zoveel van hem gehouden, en treurde ik bijna tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood, terwijl hij nog een geheel leven voor zich had kunnen hebben, vol wreedheid die een blijvend verdriet gezaaid zoude hebben in ontelbare harten, vooral die van zeer jonge personen, scholieren veelal die eigenlijk nog kinderen waren.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 38
dinsdag, november 02, 2004
maandag, november 01, 2004
'Het werkelijke probleem is de verlatenheid.'
'Verder ben ik niet tegen de dood, zoals veel domme mensen. Het werkelijke probleem is de verlatenheid. Alleen zijn is meestal nog te dragen, het zich verlaten weten nooit. Ik vroeg mij af hoe God Zich gevoelde, en of God ooit een mens of enig ander schepsel zoude verlaten. Maar ik liet die vragen wederom rusten, want ik had er geen verstand van.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 29
'Verder ben ik niet tegen de dood, zoals veel domme mensen. Het werkelijke probleem is de verlatenheid. Alleen zijn is meestal nog te dragen, het zich verlaten weten nooit. Ik vroeg mij af hoe God Zich gevoelde, en of God ooit een mens of enig ander schepsel zoude verlaten. Maar ik liet die vragen wederom rusten, want ik had er geen verstand van.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 29
vrijdag, oktober 29, 2004
'Gebonden en gevangen'
'Ik meen dat het geloof is: het vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben. En het valt te betwijfelen, of liefde zonder objekt bestaanbaar is. 'Vrije liefde', bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis: het wezen van iedere liefde is, dat zij zich gebonden en gevangen geeft. (Zelfs Gods Liefde kan het Zich gebonden en gevangen geven in Zijn Schepping, inzonderheid door zijn Menswording, kennelijk niet ontberen.) Wie iedereen liefheeft en het gehele mensdom in zijn afrmen sluit, houdt waarschijnlijk van niemand.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p. 243
'Ik meen dat het geloof is: het vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben. En het valt te betwijfelen, of liefde zonder objekt bestaanbaar is. 'Vrije liefde', bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis: het wezen van iedere liefde is, dat zij zich gebonden en gevangen geeft. (Zelfs Gods Liefde kan het Zich gebonden en gevangen geven in Zijn Schepping, inzonderheid door zijn Menswording, kennelijk niet ontberen.) Wie iedereen liefheeft en het gehele mensdom in zijn afrmen sluit, houdt waarschijnlijk van niemand.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p. 243
woensdag, oktober 27, 2004
'Misschien zit er in zoverre een systeem in..'
'Als de tijden goed zijn ben ik er beroerd aan toe en, als de tijden slecht zijn, gevoel ik mij goed of althans redelijk wel. Hoe dit zo komt, zoude ik niet kunnen zeggen. Een oorzakelijk verband zie ik niet, maar misschien zit er in zoverre een systeem in, dat de som der dingen steeds op dezelfde grootte moet uitkomen.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.72
'Als de tijden goed zijn ben ik er beroerd aan toe en, als de tijden slecht zijn, gevoel ik mij goed of althans redelijk wel. Hoe dit zo komt, zoude ik niet kunnen zeggen. Een oorzakelijk verband zie ik niet, maar misschien zit er in zoverre een systeem in, dat de som der dingen steeds op dezelfde grootte moet uitkomen.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.72
dinsdag, oktober 26, 2004
Zolang er maar Gods zegen op rust
"Er is niets tegen waanzin, zolang er maar Gods zegen op rust, en er bovendien een systeem in zit. Het kan best waar zijn, dat er in mijn boeken 'geen normaal mens voorkomt', maar op dat verwijt verzoek ik de klager zulk een 'normaal mens' te gaan zoeken en, indien gevonden, aan mij te komen tonen."
Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.7
"Er is niets tegen waanzin, zolang er maar Gods zegen op rust, en er bovendien een systeem in zit. Het kan best waar zijn, dat er in mijn boeken 'geen normaal mens voorkomt', maar op dat verwijt verzoek ik de klager zulk een 'normaal mens' te gaan zoeken en, indien gevonden, aan mij te komen tonen."
Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.7
vrijdag, september 10, 2004
'Van belang is, of de mensen ze kopen.'
'Een ingenaaid boekwerk zonder enige versiering,'De Kaalhoofdigheid en Hare Bestrijding', heette na de behandeling 'Waarom Kaal Worden?' en deze tital was op het nieuwe omslag wit uitgespaard in de afbeelding van enige inboorlingen van een Zuidzee-eiland, die inderdaad formidabele haardossen rondtorsten. "Wie koopt er nu zo'n boek? Ik geloof niet dat er aan kaal worden iets te doen is", waagde ik eens, geheel onuitgenodigd te zeggen toen het mij onder ogen kwam. Mijn patroon liet mijn opmerking in haar volle onnozelheid tot zich doordringen, terwijl hij peinzend uit het raam tuurde. "Het is volstrekt van geen belang of handleidingen, borstels, massage-apparaten, groeimiddelen enige baat geven", zei hij toen zacht.
"Van belang is, of de mensen ze kopen."
Ik kon, tegenover zulk een diepe wijsheid, slechts beschaamd zwijgen.'
Gerard Reve, in Een Eigen Huis Amsterdam/Brussel MCMLXXIX p. 78,79
'Een ingenaaid boekwerk zonder enige versiering,'De Kaalhoofdigheid en Hare Bestrijding', heette na de behandeling 'Waarom Kaal Worden?' en deze tital was op het nieuwe omslag wit uitgespaard in de afbeelding van enige inboorlingen van een Zuidzee-eiland, die inderdaad formidabele haardossen rondtorsten. "Wie koopt er nu zo'n boek? Ik geloof niet dat er aan kaal worden iets te doen is", waagde ik eens, geheel onuitgenodigd te zeggen toen het mij onder ogen kwam. Mijn patroon liet mijn opmerking in haar volle onnozelheid tot zich doordringen, terwijl hij peinzend uit het raam tuurde. "Het is volstrekt van geen belang of handleidingen, borstels, massage-apparaten, groeimiddelen enige baat geven", zei hij toen zacht.
"Van belang is, of de mensen ze kopen."
Ik kon, tegenover zulk een diepe wijsheid, slechts beschaamd zwijgen.'
Gerard Reve, in Een Eigen Huis Amsterdam/Brussel MCMLXXIX p. 78,79
maandag, september 06, 2004
'hij in ons en wij in hem'
'Maar vermoedelijk was zelfs alles een illusie. God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhebben.'
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U, Amsterdam 1966 p.55
'Maar vermoedelijk was zelfs alles een illusie. God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhebben.'
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U, Amsterdam 1966 p.55
vrijdag, september 03, 2004
Niets en niemand kan hen scheiden van de Liefde Gods
'De eenzamen schrijf ik, als troost,dat God meer lijdt dan alle mensen tezamen, maar dat begrijpen ze maar zelden. Ook schrijf ik ze, dat niemand hen kan beletten een ander wezen lief te hebben -maar ook dat komt hen voor als een slag in de lucht. Dan schrijf ik ze -als ze zeuren over ouderdom en Dood - dat onze sterfelijkheid voorwaarde is van Gods eeuwigheid, en dat wij moeten sterven, opdat Hij leve.Dat vinden ze nog maller, maar als ik ze, als toegift op al die onzin nog schrijf dat niets en niemand hen kan scheiden van de liefde Gods, dat wil zeggen dat niemand, ooit, hen kan beletten God lief te hebben, dan is de maat vol, en vinden ze me een fantast en verkondiger van beuzelpraat.'
Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders,
in de brief aan professor C.J.B.J. Trimbos van 11 februari 1966
Utrecht/Antwerpen 1985 p. 111
'De eenzamen schrijf ik, als troost,dat God meer lijdt dan alle mensen tezamen, maar dat begrijpen ze maar zelden. Ook schrijf ik ze, dat niemand hen kan beletten een ander wezen lief te hebben -maar ook dat komt hen voor als een slag in de lucht. Dan schrijf ik ze -als ze zeuren over ouderdom en Dood - dat onze sterfelijkheid voorwaarde is van Gods eeuwigheid, en dat wij moeten sterven, opdat Hij leve.Dat vinden ze nog maller, maar als ik ze, als toegift op al die onzin nog schrijf dat niets en niemand hen kan scheiden van de liefde Gods, dat wil zeggen dat niemand, ooit, hen kan beletten God lief te hebben, dan is de maat vol, en vinden ze me een fantast en verkondiger van beuzelpraat.'
Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders,
in de brief aan professor C.J.B.J. Trimbos van 11 februari 1966
Utrecht/Antwerpen 1985 p. 111
woensdag, september 01, 2004
zondag, augustus 29, 2004
'Wat ik begeer is zo mateloos'
'En ik ben vaak bang voor mijn fantasieën. Wat ik begeer is zo mateloos, dat het nog in geen honderd mensenlevens vervuld zou kunnen worden. Het zijn de dingen die God Zelf Zich nog niet eens zou kunnen veroorloven. Ik moet het te gelegenertijd maar allemaal opschrijven en aangetekend aan Provinciale Staten sturen.´
Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam /Antwerpen 1997 p. 87,88
'En ik ben vaak bang voor mijn fantasieën. Wat ik begeer is zo mateloos, dat het nog in geen honderd mensenlevens vervuld zou kunnen worden. Het zijn de dingen die God Zelf Zich nog niet eens zou kunnen veroorloven. Ik moet het te gelegenertijd maar allemaal opschrijven en aangetekend aan Provinciale Staten sturen.´
Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam /Antwerpen 1997 p. 87,88
vrijdag, augustus 27, 2004
Een ademtocht...
'Misschien ligt ergens in de komende etappe op weg naar het einde voor mij een waarachtig bestaan, waarin ik niets meer verwacht, en elke oppervlakkige genieting en illusie zal wegwerpen, en eindelijk waardig zal kunnen leven en sterven, God erend en liefhebbend, en me bij de zinledigheid van het bestaan neerleggend, maar wetend, dat ik in het werk, als ik met al mijn wanhoop en kracht probeer te schrijven, wellicht enkele ogenblikken een schaduw zal zien, een ademtocht zal voelen, een vaag, wegstervend geluid zal horen van hem die ik hoop eens in mijn leven, al is het maar enkele tientallen seconden, te mogen zien ' van aangezicht tot aangezicht'. Ik hoop, dat ik u niet treurig heb gemaakt, want ik houd van u allemaal, op mijn eigen, eenvoudige manier.'
Gerard Reve in: Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p. 137
'Misschien ligt ergens in de komende etappe op weg naar het einde voor mij een waarachtig bestaan, waarin ik niets meer verwacht, en elke oppervlakkige genieting en illusie zal wegwerpen, en eindelijk waardig zal kunnen leven en sterven, God erend en liefhebbend, en me bij de zinledigheid van het bestaan neerleggend, maar wetend, dat ik in het werk, als ik met al mijn wanhoop en kracht probeer te schrijven, wellicht enkele ogenblikken een schaduw zal zien, een ademtocht zal voelen, een vaag, wegstervend geluid zal horen van hem die ik hoop eens in mijn leven, al is het maar enkele tientallen seconden, te mogen zien ' van aangezicht tot aangezicht'. Ik hoop, dat ik u niet treurig heb gemaakt, want ik houd van u allemaal, op mijn eigen, eenvoudige manier.'
Gerard Reve in: Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p. 137
woensdag, augustus 25, 2004
Alles is uit Liefde ontstaan
"Alles is uit de Liefde ontstaan", begon ik Tweede Prijsdier uit te leggen. "Het is niet zo, dat de Liefde één van Gods atrributen is, maar de Liefde is God zelf. Toen er nog niets was, was reeds de Liefde. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde, onderling vervangbaar, en identiek. Als je het opschrijft, staat het meteen op papier ook."
Gerard Reve, in Nader tot U Amsterdam 1966 p.85,86
"Alles is uit de Liefde ontstaan", begon ik Tweede Prijsdier uit te leggen. "Het is niet zo, dat de Liefde één van Gods atrributen is, maar de Liefde is God zelf. Toen er nog niets was, was reeds de Liefde. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde, onderling vervangbaar, en identiek. Als je het opschrijft, staat het meteen op papier ook."
Gerard Reve, in Nader tot U Amsterdam 1966 p.85,86
zaterdag, augustus 21, 2004
'Talent hebben is een twijfelachtig voorrecht'
'Maar talent hebben is een twijfelachtig voorrecht. De medemens trapt je dan het liefste dood. Zolang je het nog niet geklaard hebt, en nog onder ligt, vinden ze je geweldig. Maar verkoop maar eens goed, en verdien maar eens, na een half of 3/4 of 4/5 leven van armoed, een paar centen: dát zullen ze je nooit vergeven.'
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.206
'Maar talent hebben is een twijfelachtig voorrecht. De medemens trapt je dan het liefste dood. Zolang je het nog niet geklaard hebt, en nog onder ligt, vinden ze je geweldig. Maar verkoop maar eens goed, en verdien maar eens, na een half of 3/4 of 4/5 leven van armoed, een paar centen: dát zullen ze je nooit vergeven.'
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.206
vrijdag, augustus 20, 2004
donderdag, augustus 19, 2004
'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken
is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik'.
'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik. Het heeft een geweldig effekt. Maar geen mens meer, die dat weet. Al deze gebruiken worden niet of nauwelijks meer onderhouden en voor de altaren van de Waarheid doven, overal ter wereld, de lampen, die volgens allerlei geloftes, in eeuwigheid brandend zouden moeten worden gehouden.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100
is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik'.
'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik. Het heeft een geweldig effekt. Maar geen mens meer, die dat weet. Al deze gebruiken worden niet of nauwelijks meer onderhouden en voor de altaren van de Waarheid doven, overal ter wereld, de lampen, die volgens allerlei geloftes, in eeuwigheid brandend zouden moeten worden gehouden.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100
maandag, augustus 16, 2004
'Dat is het revisme'
'Mijn liefde heeft te maken met macht, verering, onderwerping, angst, zowel als een diep, koortsig verlangen jou te horen hijgen bij het stoeien met een klein liefdesdier. Misschien denk je dat je mij daardoor zoudt kunnen verliezen,maar het tegendeel is waar. Dat is het revisme, dat je toch uit mijn boeken moet kennen.'
Gerard Reve, in Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.226
'Mijn liefde heeft te maken met macht, verering, onderwerping, angst, zowel als een diep, koortsig verlangen jou te horen hijgen bij het stoeien met een klein liefdesdier. Misschien denk je dat je mij daardoor zoudt kunnen verliezen,maar het tegendeel is waar. Dat is het revisme, dat je toch uit mijn boeken moet kennen.'
Gerard Reve, in Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.226
zondag, augustus 15, 2004
In de stilte van de nacht
'In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk door gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, Eeuwige, en op U alleen.
Gerad Kornelis van het Reve, Nader tot U, Amsterdam 1966 p.87
'In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk door gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, Eeuwige, en op U alleen.
Gerad Kornelis van het Reve, Nader tot U, Amsterdam 1966 p.87
vrijdag, augustus 13, 2004
Wandelen (2)
'Wandelen is -en hier ligt de sleutel tot elk waardeoordeel 'als zodanig'- Vrijwillige beweging, terwijl reizen Gedwongen, of liever gezegd Noodzakelijke Verplaatsing is - als ik hiermede één en ander nog niet afdoende duidelijk heb gemaakt, heeft het ook geen zin om nog verdere moeite tot uitleg te doen.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 99, 100
'Wandelen is -en hier ligt de sleutel tot elk waardeoordeel 'als zodanig'- Vrijwillige beweging, terwijl reizen Gedwongen, of liever gezegd Noodzakelijke Verplaatsing is - als ik hiermede één en ander nog niet afdoende duidelijk heb gemaakt, heeft het ook geen zin om nog verdere moeite tot uitleg te doen.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 99, 100
donderdag, augustus 12, 2004
woensdag, augustus 11, 2004
dinsdag, augustus 10, 2004
'Ieder verhaal heeft een vervolg'(2)
'Van de dag af, dat ik begon te schrijven, heeft dit besef mij steeds met ontzetting vervuld, en dikwijls verlamd: in te moeten zien, dat geen door enig mensenkind verteld of neergeschreven verhaal ooit iets anders kan zijn dan de bloedig uit de regenworm gespitte middenmoot, of de afgeknotte zuil op het duur en lelijk graf -van boven moedwillig afgebroken, van onderen zich slechts tot enkele decimeters onder het aardoppervlak voortzettend: versteende kokon, waar nooit meer iets uitkruipt.'
Gerard Reve in Verzameld werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413
'Van de dag af, dat ik begon te schrijven, heeft dit besef mij steeds met ontzetting vervuld, en dikwijls verlamd: in te moeten zien, dat geen door enig mensenkind verteld of neergeschreven verhaal ooit iets anders kan zijn dan de bloedig uit de regenworm gespitte middenmoot, of de afgeknotte zuil op het duur en lelijk graf -van boven moedwillig afgebroken, van onderen zich slechts tot enkele decimeters onder het aardoppervlak voortzettend: versteende kokon, waar nooit meer iets uitkruipt.'
Gerard Reve in Verzameld werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413
maandag, augustus 09, 2004
'Ieder verhaal heeft een vervolg....' (1)
'Ieder verhaal heeft een vervolg, waarop weer, in eindeloze voortzetting, ontelbare naspelen elkaar moeten blijven opvolgen, en ook heeft het een voorgeschiedenis, waaraan een oneindige keten van voorspelen moet zijn voorafgegaan.'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6, Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413
'Ieder verhaal heeft een vervolg, waarop weer, in eindeloze voortzetting, ontelbare naspelen elkaar moeten blijven opvolgen, en ook heeft het een voorgeschiedenis, waaraan een oneindige keten van voorspelen moet zijn voorafgegaan.'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6, Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413
zondag, augustus 08, 2004
'Niet anders..dan zichelf te openen voor God'
'Mij staat een religie voor ogen, waarvan de belijder niet anders zal beogen dan zichzelf te openen voor God, inplaats van God te willen bemachtigen en dienstbaar te willen maken aan de vervulling van infantiele begeerten; een geloof, dat misschien eens zal mogen heersen, en waarin de mens de moed zal vinden zijn Godsbegrip los te maken van elke hoop en elke verwachting van welk heil dan ook; een geloof dat de noodzaak van de Dood zal willen inzien, en begrippen als verlossing en Eeuwig Leven niet zal interpreteren als een zich na de Dood voortzettend, altijddurend heden.'
Gerard Reve in Verzameld Werk, deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 380
uit: 'Bij mijn intrede in de Rooms Katholieke Kerk' in Tirade, juli-augustus 1966
'Mij staat een religie voor ogen, waarvan de belijder niet anders zal beogen dan zichzelf te openen voor God, inplaats van God te willen bemachtigen en dienstbaar te willen maken aan de vervulling van infantiele begeerten; een geloof, dat misschien eens zal mogen heersen, en waarin de mens de moed zal vinden zijn Godsbegrip los te maken van elke hoop en elke verwachting van welk heil dan ook; een geloof dat de noodzaak van de Dood zal willen inzien, en begrippen als verlossing en Eeuwig Leven niet zal interpreteren als een zich na de Dood voortzettend, altijddurend heden.'
Gerard Reve in Verzameld Werk, deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 380
uit: 'Bij mijn intrede in de Rooms Katholieke Kerk' in Tirade, juli-augustus 1966
zondag, augustus 01, 2004
'Over een paar uur vertrekt het schip'
'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede......
In ieder geval heb ik mij nog nooit in mijn leven met enig ander wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van de ander.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde, Amsterdam 1966 p.134
'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede......
In ieder geval heb ik mij nog nooit in mijn leven met enig ander wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van de ander.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde, Amsterdam 1966 p.134
zondag, juli 18, 2004
"Het koor zingt en de muziek ruist als een zee"
'De Waarheid is dubbelzinnig, dat begin ik nu zeer goed in te zien. We gaan naar de Kerk, en vragen de Grote Godin: "Wanneer?" En Zij glimlacht schier onmerkbaar met Haar zeer schone gelaat en Zij antwoordt: "Eens..." En wij weten niet of dat woord betrekking heeft op het sprookje uit het verleden of het luchtspiegelbeeld in de glazen piskijkersbol van de toekomst. Was het reeds, of zal het zijn? De kaarsen branden, de wierook stijgt op, het koor zingt en de muziek ruist als een zee, en wij weten slechts, dat het antwoord, en de muziek, en het koor, schoon zijn. Mooi is het, vind je niet, het volle leven, wat jij kunstbroeder? '
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 125
'De Waarheid is dubbelzinnig, dat begin ik nu zeer goed in te zien. We gaan naar de Kerk, en vragen de Grote Godin: "Wanneer?" En Zij glimlacht schier onmerkbaar met Haar zeer schone gelaat en Zij antwoordt: "Eens..." En wij weten niet of dat woord betrekking heeft op het sprookje uit het verleden of het luchtspiegelbeeld in de glazen piskijkersbol van de toekomst. Was het reeds, of zal het zijn? De kaarsen branden, de wierook stijgt op, het koor zingt en de muziek ruist als een zee, en wij weten slechts, dat het antwoord, en de muziek, en het koor, schoon zijn. Mooi is het, vind je niet, het volle leven, wat jij kunstbroeder? '
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 125
zaterdag, juli 17, 2004
Waar het om gaat
'Weet je wat ik dacht -al dat principiële gelul over gevoelens, dat leidt tot niets. Waar het om gaat, tenminste op dit ogenblik, dat zijn praktiese dingen, ik bedoel die instelling, waarbij iedereen een concreet, gemeenschappelijk doel voor ogen houdt, en dat doel is, volgens mij, een tot op zekere hoogte draaglijk, en menswaardig bestaan.
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p.132
'Weet je wat ik dacht -al dat principiële gelul over gevoelens, dat leidt tot niets. Waar het om gaat, tenminste op dit ogenblik, dat zijn praktiese dingen, ik bedoel die instelling, waarbij iedereen een concreet, gemeenschappelijk doel voor ogen houdt, en dat doel is, volgens mij, een tot op zekere hoogte draaglijk, en menswaardig bestaan.
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p.132
woensdag, juli 14, 2004
'Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.'
“Wat is alles toch wonderlijk! Als je bijvoorbeeld nagaat, dat ijs precies bij 0 graden Celsius overgaat in water, en dat datzelfde water weer bij precies 100 graden kookt, geen graad meer of minder! Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.”
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.42
“Wat is alles toch wonderlijk! Als je bijvoorbeeld nagaat, dat ijs precies bij 0 graden Celsius overgaat in water, en dat datzelfde water weer bij precies 100 graden kookt, geen graad meer of minder! Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.”
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.42
dinsdag, juli 13, 2004
De verzoening met het leven
'Je bent vóór en na Lourdes niet meer dezelfde mens. Het is de verzoening met het leven, met de Aarde, met het lichaam, met de sterflijkheid. Graf en schoot is het, die Grot, en je kunt de mensgrote kaarsen zien als Roeden of als kaarsen in een altijddurende sterfkamer, net naar wat je wilt: het kan vermoedelijk beide tegelijk, want alles wordt één in Lourdes.'
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.174
'Je bent vóór en na Lourdes niet meer dezelfde mens. Het is de verzoening met het leven, met de Aarde, met het lichaam, met de sterflijkheid. Graf en schoot is het, die Grot, en je kunt de mensgrote kaarsen zien als Roeden of als kaarsen in een altijddurende sterfkamer, net naar wat je wilt: het kan vermoedelijk beide tegelijk, want alles wordt één in Lourdes.'
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.174
maandag, juli 12, 2004
'..alleen geleefd.. uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken..'
'Het is heel zonderling, maar ik heb een zekere distantie gekregen van veel dingen, ik bedoel ik kan een aantal zaken niet meer belangrijk vinden, en wil alleen maar schrijven & dichten, aan de zee, in vrede, over dingen van vroeger, maar vooral over God, wat een schier onuitputtelijk onderwerp is. "Dit is nu al 's jongelings vierde gedicht over God, en steeds heeft hij nieuwe denkbeelden over dat onderwerp." Ik wil nog eens een ingrijpend gedicht schrijven als een getuigenis dat ik van alles gedaan heb, tijdvermorsing, stompzinnig genaai, ontucht op middagen, slechte daden jegens mensen, misleiding, bedrog en ontrouw, maar dat ik hem gezocht heb, anders niets en niemand, nooit, dat ik alleen geleefd heb uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken en met hem mee te gaan, dat alles dwaasheid is en ijdelheid en stof en kaf en dat ik alleen maar naar hem verlang, hongerende en dorstende naar zijn Voltooiing. Nu ja.'
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p. 142
'Het is heel zonderling, maar ik heb een zekere distantie gekregen van veel dingen, ik bedoel ik kan een aantal zaken niet meer belangrijk vinden, en wil alleen maar schrijven & dichten, aan de zee, in vrede, over dingen van vroeger, maar vooral over God, wat een schier onuitputtelijk onderwerp is. "Dit is nu al 's jongelings vierde gedicht over God, en steeds heeft hij nieuwe denkbeelden over dat onderwerp." Ik wil nog eens een ingrijpend gedicht schrijven als een getuigenis dat ik van alles gedaan heb, tijdvermorsing, stompzinnig genaai, ontucht op middagen, slechte daden jegens mensen, misleiding, bedrog en ontrouw, maar dat ik hem gezocht heb, anders niets en niemand, nooit, dat ik alleen geleefd heb uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken en met hem mee te gaan, dat alles dwaasheid is en ijdelheid en stof en kaf en dat ik alleen maar naar hem verlang, hongerende en dorstende naar zijn Voltooiing. Nu ja.'
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p. 142
zondag, juli 11, 2004
'Ja, dat leven dus'
'Ja, dat leven dus: men behoort het leven monter en met een lied op de lippen tegemoet te treden, maar ik heb altijd de indruk gehad dat het leven mij achtervolgde, achternazat als het ware, en mij steeds sneller voor zich uit wilde voortjagen: "Opschieten jij! Hoe eerder het afgelopen is hoe beter."
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.670
'Ja, dat leven dus: men behoort het leven monter en met een lied op de lippen tegemoet te treden, maar ik heb altijd de indruk gehad dat het leven mij achtervolgde, achternazat als het ware, en mij steeds sneller voor zich uit wilde voortjagen: "Opschieten jij! Hoe eerder het afgelopen is hoe beter."
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.670
zaterdag, juli 10, 2004
vrijdag, juli 09, 2004
Zij
'Wat zou het bestaan zijn zo Zij er niet was, kunstbroeder, de Troosteres, de Verloste, de Verheerlijkte en Gekroonde?....
Ik verlaat me maar meer en meer op Haar, dan zit het altijd goed. Zij is mij om een of andere duistere reden uitzonderlijk goed gezind, vermoedelijk omdat zij niet geheel goed bij het hoofd is. Maar waarom, vroeg ik me dikwijls af, wordt nu juist Zij het meest van alles en iedereen in de Kerk vereerd? "Omdat Zij alleeen maar helpt en troost", zegt Jakhals. "Zij oordeelt niet. Zij is geen rechter."
Dat zal het zijn.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.208
'Wat zou het bestaan zijn zo Zij er niet was, kunstbroeder, de Troosteres, de Verloste, de Verheerlijkte en Gekroonde?....
Ik verlaat me maar meer en meer op Haar, dan zit het altijd goed. Zij is mij om een of andere duistere reden uitzonderlijk goed gezind, vermoedelijk omdat zij niet geheel goed bij het hoofd is. Maar waarom, vroeg ik me dikwijls af, wordt nu juist Zij het meest van alles en iedereen in de Kerk vereerd? "Omdat Zij alleeen maar helpt en troost", zegt Jakhals. "Zij oordeelt niet. Zij is geen rechter."
Dat zal het zijn.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.208
zondag, juli 04, 2004
Stad en Land (2)
'Stadsmensen zijn mensen die door een stekker gevoed worden; trek je de stekker uit het stopkontakt, dan sterven ze. Een wereld van stilte, zonder electriciteit, kunnen ze zich niet eens voorstellen. Ze weten niet, welk kwartier van de maan is. Ze geloven niet in God, omdat er nooit stilte is, waar ze zijn, en omdat de krant en de Verrekijk alles weten, of anders de encyclopaedie wel.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.269
'Stadsmensen zijn mensen die door een stekker gevoed worden; trek je de stekker uit het stopkontakt, dan sterven ze. Een wereld van stilte, zonder electriciteit, kunnen ze zich niet eens voorstellen. Ze weten niet, welk kwartier van de maan is. Ze geloven niet in God, omdat er nooit stilte is, waar ze zijn, en omdat de krant en de Verrekijk alles weten, of anders de encyclopaedie wel.'
Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.269
vrijdag, juli 02, 2004
Stad en Land(1)
'De wezenlijke tegenstelling is niet die tussen ontwikkeling en ongeletterdheid; niet die tussen links en rechts; niet die tussen kunst en maatschappij; niet die tussen jeugd en ouderdom; niet die tussen schrijvers en hen die niet schrijven. De wezenlijke tegenstelling is die tussen Stad en Land. Ik ben geen stadmens, en ben het nooit geweest. De stadsmens is de vijand van de ware inspiraatsie, en van de echte creativiteit.
De stad is een schijnbare orde, en in werkelijkheid een chaos.'
Gerad Reve, Brieven aan Simon C. Utrecht MCMLXXXII p.269
'De wezenlijke tegenstelling is niet die tussen ontwikkeling en ongeletterdheid; niet die tussen links en rechts; niet die tussen kunst en maatschappij; niet die tussen jeugd en ouderdom; niet die tussen schrijvers en hen die niet schrijven. De wezenlijke tegenstelling is die tussen Stad en Land. Ik ben geen stadmens, en ben het nooit geweest. De stadsmens is de vijand van de ware inspiraatsie, en van de echte creativiteit.
De stad is een schijnbare orde, en in werkelijkheid een chaos.'
Gerad Reve, Brieven aan Simon C. Utrecht MCMLXXXII p.269
zondag, juni 27, 2004
Primitief
'Het zijn angstwekkende tijden, gekenmerkt door een tot een karikatuur uitgegroeid bijgeloof: de Dood zal binnen afzienbare tijd ongedaan gemaakt worden door de mediese wetenschap; het heelal is 'gewoon uit een ammoniawolk ontstaan' (en dat gepresenteerd als een verklaring voor het zijn van het heelal!), kortom eenn pseudo-rationeel denken, dat in werkelijkheid even primitief is als het geloof van een kind in de ooievaar. Voorlopig vind ik een Schepping uit het niets, door Gods Wil, een heel wat aanvaardbaarder visie, al kan men zich daarbij niets feitelijks voorstellen. (Vandaar dat de Kerk spreekt van een mysterie.) Enfin, niet tobben.
Gerard Reve in Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p. 229, 230
'Het zijn angstwekkende tijden, gekenmerkt door een tot een karikatuur uitgegroeid bijgeloof: de Dood zal binnen afzienbare tijd ongedaan gemaakt worden door de mediese wetenschap; het heelal is 'gewoon uit een ammoniawolk ontstaan' (en dat gepresenteerd als een verklaring voor het zijn van het heelal!), kortom eenn pseudo-rationeel denken, dat in werkelijkheid even primitief is als het geloof van een kind in de ooievaar. Voorlopig vind ik een Schepping uit het niets, door Gods Wil, een heel wat aanvaardbaarder visie, al kan men zich daarbij niets feitelijks voorstellen. (Vandaar dat de Kerk spreekt van een mysterie.) Enfin, niet tobben.
Gerard Reve in Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p. 229, 230
zondag, juni 13, 2004
'’Eeuwige onderwerping in liefde
'Het Cliché is een Godsgeschenk. Als de lezer moede begint te raken van het al te verfijnd uit de doeken doen van liefdesleed, herinneringen en schuldbesef van de held, en van al die geuren, kleuren, adjectieven en gelukte of mislukte vergelijkingen, schrijft U dan eens gewoon neder: Zoude hij dit aanbiddelijke wezen, deze duizelingwekkende blonde zeeprins ooit, al ware het slechts voor één ogenblik, mogen terugzien om dan, ja dan, in een allerlaatste kans, hem zijn eeuwige onderwerping in liefde aan te bieden?...'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453
'Het Cliché is een Godsgeschenk. Als de lezer moede begint te raken van het al te verfijnd uit de doeken doen van liefdesleed, herinneringen en schuldbesef van de held, en van al die geuren, kleuren, adjectieven en gelukte of mislukte vergelijkingen, schrijft U dan eens gewoon neder: Zoude hij dit aanbiddelijke wezen, deze duizelingwekkende blonde zeeprins ooit, al ware het slechts voor één ogenblik, mogen terugzien om dan, ja dan, in een allerlaatste kans, hem zijn eeuwige onderwerping in liefde aan te bieden?...'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453
donderdag, juni 10, 2004
'Tragiek versterkt door humor'
Ik geef U een paar voorbeelden.
'Wat vind je van de ouderdom?' vraagt men mij. 'Het leven krijgt diepte, Mevrouw,' antwoord ik. En daar laat ik op volgen: 'Het is een afgrond, wil ik maar zeggen.' Of ik antwoord monter: 'Mijnheer, de ouderdom is de kroon op het leven,' om daar na enkele seconden pauze op te laten volgen: 'zij het een doornenkroon.' Of, bij verlies, voegt men mij toe: 'Het leven gaat door, meneer Reve!' 'Zo is het,' beaam ik volmondig, er vlak daarna aan toevoegend: 'Tenminste, als het niet ophoudt.'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453
Ik geef U een paar voorbeelden.
'Wat vind je van de ouderdom?' vraagt men mij. 'Het leven krijgt diepte, Mevrouw,' antwoord ik. En daar laat ik op volgen: 'Het is een afgrond, wil ik maar zeggen.' Of ik antwoord monter: 'Mijnheer, de ouderdom is de kroon op het leven,' om daar na enkele seconden pauze op te laten volgen: 'zij het een doornenkroon.' Of, bij verlies, voegt men mij toe: 'Het leven gaat door, meneer Reve!' 'Zo is het,' beaam ik volmondig, er vlak daarna aan toevoegend: 'Tenminste, als het niet ophoudt.'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453
maandag, juni 07, 2004
De wind (2)
'We geven onze klacht mede aan de wind, wij worden gejaagd door de wind, wij verstuiven de as op de wind, de wind voert het voorjaar aan, de wind zingt van dit en van dat, een oud lied of een nieuw geluid, ziet U maar wat U er mede doet.'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462
'We geven onze klacht mede aan de wind, wij worden gejaagd door de wind, wij verstuiven de as op de wind, de wind voert het voorjaar aan, de wind zingt van dit en van dat, een oud lied of een nieuw geluid, ziet U maar wat U er mede doet.'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462
zondag, juni 06, 2004
De wind (1)
'Ben ik juist ingelicht, dan is er in het Hebreeuws één woord, dat zowel wind, adem, geest als rook kan betekenen.
Dat zegt reeds iets.
De wind doet het zelfgemaakte molentje van het kind draaien en snorren dat het een lieve lust is, maar diezelfde wind zendt ook het schip vol lieve zeejongens, ver van huis en roepende om hunne moeder, de ijzige, eeuwige diepte in. De wind is het Leven en de Dood: twee halen, één betalen.
"Hoor je die wind? Wel een gezellig geluid, vind je niet?'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462
'Ben ik juist ingelicht, dan is er in het Hebreeuws één woord, dat zowel wind, adem, geest als rook kan betekenen.
Dat zegt reeds iets.
De wind doet het zelfgemaakte molentje van het kind draaien en snorren dat het een lieve lust is, maar diezelfde wind zendt ook het schip vol lieve zeejongens, ver van huis en roepende om hunne moeder, de ijzige, eeuwige diepte in. De wind is het Leven en de Dood: twee halen, één betalen.
"Hoor je die wind? Wel een gezellig geluid, vind je niet?'
Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462
zaterdag, juni 05, 2004
'Alle liefde is medelijden'
'Als de uitspraak van Arthur Schopenhauer: 'Alle liefde is medelijden', waar is, dan is die uitspraak misschien wel omkeerbaar: 'Alle medelijden is liefde.'
Want dat medelijden gevoelen wij: medelijden met het onschuldige, immers zondenvrij geboren dier; medelijden met de schuldeloos in de aarde gekluisterde boom; medelijden met de in de boeien der zonde geketende mens; medelijden met God.'
Gerard Reve, Verzameld werk deel 4 in Zelf schrijver worden Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 450
'Als de uitspraak van Arthur Schopenhauer: 'Alle liefde is medelijden', waar is, dan is die uitspraak misschien wel omkeerbaar: 'Alle medelijden is liefde.'
Want dat medelijden gevoelen wij: medelijden met het onschuldige, immers zondenvrij geboren dier; medelijden met de schuldeloos in de aarde gekluisterde boom; medelijden met de in de boeien der zonde geketende mens; medelijden met God.'
Gerard Reve, Verzameld werk deel 4 in Zelf schrijver worden Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 450
dinsdag, april 27, 2004
zondag, april 25, 2004
Eric verklaart de vogeltekenen (2)
Zie maar eens hoe de zon schijnt
'Als we ons in een kelderachtig vertrek bevonden, dacht hij, donker, armoedig en vochtig, en het was nacht, en de regen raasde en de wind loeide, en we zaten te wachten op een verschrikkelijke boodschap, te wachten tot ze iemand die verdronken was, druipend kwamen binnendragen, dan zouden we dicht bijeen zitten en niemand zou hard durven spreken. Maar het is helemaal geen nacht, en er is helemaal geen regen of storm. Zie maar eens hoe de zon schijnt.
Hij keek naar buiten. De zon stond nog hoog genoeg om, over het huis heen, het achterste gedeelte van de tuin te beschijnen. Een merel, of althans een vogel van gelijke grootte, huppelde daar over wat eens een grindpad was geweest, pikte driftig rond in de door regens verharde bodem en wandelde onder een groen geverfd, maar vreselijk verroest tafeltje door.
Het is wel een weemoedig gezicht, zulk een ruïneachtige tuin, dacht hij. Maar van storm of duisternis is geen sprake. Er is ook niemand verdronken, voor zover dat...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.123, 124
Zie maar eens hoe de zon schijnt
'Als we ons in een kelderachtig vertrek bevonden, dacht hij, donker, armoedig en vochtig, en het was nacht, en de regen raasde en de wind loeide, en we zaten te wachten op een verschrikkelijke boodschap, te wachten tot ze iemand die verdronken was, druipend kwamen binnendragen, dan zouden we dicht bijeen zitten en niemand zou hard durven spreken. Maar het is helemaal geen nacht, en er is helemaal geen regen of storm. Zie maar eens hoe de zon schijnt.
Hij keek naar buiten. De zon stond nog hoog genoeg om, over het huis heen, het achterste gedeelte van de tuin te beschijnen. Een merel, of althans een vogel van gelijke grootte, huppelde daar over wat eens een grindpad was geweest, pikte driftig rond in de door regens verharde bodem en wandelde onder een groen geverfd, maar vreselijk verroest tafeltje door.
Het is wel een weemoedig gezicht, zulk een ruïneachtige tuin, dacht hij. Maar van storm of duisternis is geen sprake. Er is ook niemand verdronken, voor zover dat...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.123, 124
zaterdag, april 24, 2004
Eric verklaart de vogeltekenen (1)
'Meeuwen in de stad in deze tijd van het jaar, dacht hij. Men moet zich wel afvragen wat dat te betekenen heeft. Hij tuurde aandachtig om zeker te zijn dat hij zich niet vergiste, maar de lange vleugels en trage vliegbewegingen lieten geen twijfel bestaan dat het zeemeeuwen waren. Hij telde er acht. Misschien waren ze door een storm of een onweer gedwongen in de richting van de stad te vliegen, maar het leek hem toch weer onwaarschijnlijk.
De meeuwen begonnen lager te vliegen en kwamen dichterbij.
Ik had toch liever dat jullie wegbleven, zei Eric bij zichzelf, omhoog ziend naar de vogels, die nu vlakbij, boven de straat, in steeds kleiner wordende kringen vlogen.........
De zeilende bewegingen van de vogels die hij nog kon zien, veranderden nu in geklapwiek, en het volgende moment hoorde hij de tikkende en schurende geluidjes van vogelpoten in de dakgoot en op het zink van het dak.
Ze zijn gedaald, dacht hij. Zou het een teken kunnen zijn?
Maar als het een teken is, wie kan het dan uitleggen?...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.113
'Meeuwen in de stad in deze tijd van het jaar, dacht hij. Men moet zich wel afvragen wat dat te betekenen heeft. Hij tuurde aandachtig om zeker te zijn dat hij zich niet vergiste, maar de lange vleugels en trage vliegbewegingen lieten geen twijfel bestaan dat het zeemeeuwen waren. Hij telde er acht. Misschien waren ze door een storm of een onweer gedwongen in de richting van de stad te vliegen, maar het leek hem toch weer onwaarschijnlijk.
De meeuwen begonnen lager te vliegen en kwamen dichterbij.
Ik had toch liever dat jullie wegbleven, zei Eric bij zichzelf, omhoog ziend naar de vogels, die nu vlakbij, boven de straat, in steeds kleiner wordende kringen vlogen.........
De zeilende bewegingen van de vogels die hij nog kon zien, veranderden nu in geklapwiek, en het volgende moment hoorde hij de tikkende en schurende geluidjes van vogelpoten in de dakgoot en op het zink van het dak.
Ze zijn gedaald, dacht hij. Zou het een teken kunnen zijn?
Maar als het een teken is, wie kan het dan uitleggen?...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.113
vrijdag, april 23, 2004
HoejoejoejoejoejoePidee!
'Doch luister! Het kan begrepen worden. De dans. Oudste kunst der mensheid!
Jawel! Zoek het op! Lees het na! Ziel en lichaam! Ziel hunkert naar het licht! (Hij hief, al voorttrappelend, beide armen plechtig omhoog.) Lichaam gekluisterd aan de aarde! Wij willen niet sterven! Joeppie! Joeppie! HoejoejoejoejoejoePidee! Hoei! Hoei! '
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.133
'Doch luister! Het kan begrepen worden. De dans. Oudste kunst der mensheid!
Jawel! Zoek het op! Lees het na! Ziel en lichaam! Ziel hunkert naar het licht! (Hij hief, al voorttrappelend, beide armen plechtig omhoog.) Lichaam gekluisterd aan de aarde! Wij willen niet sterven! Joeppie! Joeppie! HoejoejoejoejoejoePidee! Hoei! Hoei! '
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.133
woensdag, april 21, 2004
'De verdediging van het boek is het boek zelf.'
"Mijn werk heeft voor eerlijke, volgroeide mensen eigenlijk geen verdediging van buiten het werk van node. Ik wil terzake refereren aan de woorden van mijn illustere kollega, Wladimir Nabokov, die over zijn schitterende roman Lolita, door zowel de wit-gele als de rode clerus gelijkelijk als obsceen veroordeeld, gezegd heeft: 'De verdediging van het boek is het boek zelf.' "
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.461
"Mijn werk heeft voor eerlijke, volgroeide mensen eigenlijk geen verdediging van buiten het werk van node. Ik wil terzake refereren aan de woorden van mijn illustere kollega, Wladimir Nabokov, die over zijn schitterende roman Lolita, door zowel de wit-gele als de rode clerus gelijkelijk als obsceen veroordeeld, gezegd heeft: 'De verdediging van het boek is het boek zelf.' "
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.461
woensdag, april 14, 2004
dinsdag, april 13, 2004
Schaduw
" 'Schaduw', 'geheim', 'heimwee', jawel daar gaat hij weder zult U zeggen, wat een woorden allemaal: ik vind dat die man, die schrijver dus, dat die het zijn eigen af en toe wel erg moeilijk maakt. Maar daar antwoord ik, schrijver als zodanig, op: 'Is dat niet gewoon mijn plicht?.
Ik bedoel dus de plicht van mij om een groot, een machtig boek te schrijven, van het licht maar ook van de schaduw? En van de liefde, of is die geen ernstige zaak? "
Gerard Reve, in Het Boek van Violet en Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 196
" 'Schaduw', 'geheim', 'heimwee', jawel daar gaat hij weder zult U zeggen, wat een woorden allemaal: ik vind dat die man, die schrijver dus, dat die het zijn eigen af en toe wel erg moeilijk maakt. Maar daar antwoord ik, schrijver als zodanig, op: 'Is dat niet gewoon mijn plicht?.
Ik bedoel dus de plicht van mij om een groot, een machtig boek te schrijven, van het licht maar ook van de schaduw? En van de liefde, of is die geen ernstige zaak? "
Gerard Reve, in Het Boek van Violet en Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 196
maandag, april 12, 2004
zondag, april 11, 2004
Een nieuw Paaslied

Een Nieuw Paaslied
Zonder gedronken te hebben, prijs ik God.
Vandaag heb ik van alles meegemaakt.
Al voortwankelend in de benedenstad,
denkend aan de Uiteindelijke Dingen,
zag ik een jongen, vermoedelijk een Duitse toerist,
en volgde hem terwijl ik dacht:
ik zal je voor je reet geven of als dat niet kan
sla mij dan maar,
de hoofdzaak is dat we bezig zijn -
tot hij De Bijenkorf in ging en ik,
duizelig van geilheid tegen mensen opbotsend,
zijn spoor bijster raakte.
Nochtans werd ik niet moede, U te loven.
Want onbegrijpelijk groot zijn al Uw werken:
Gij, die het wezen gemaakt hebt
dat van achteren een kut en van voren een staart heeft.
Zoals gezegd, ik had niet eens gedronken, maar toch wilde ik
U schreiend eren en in tranen voor U knielen,
O Meester, Slaaf en Broeder, Geslachte en Verrezen God.
Al neuriënd en in het geheim profeterend
vervolgde ik mijn weg.
Toen zag ik Bet van Beeren, aan een wit tafeltje
tegenover haar cafee gezeten, pogend met mes en vork
een makreel te openen om deze in de zon te eten.
Ik dacht kijk. Wat is in de Natuur toch alles mooi gemaakt.
(Denk maar aan al die sterren met hun lichtjaren.)
Ik wilde wel naar een of andere avondmis,
maar er was er geen.
Gerard Kornelis van het Reve, Nader tot U G.A. Van Oorschot/Amsterdam 1966 p. 143
Een Nieuw Paaslied
Zonder gedronken te hebben, prijs ik God.
Vandaag heb ik van alles meegemaakt.
Al voortwankelend in de benedenstad,
denkend aan de Uiteindelijke Dingen,
zag ik een jongen, vermoedelijk een Duitse toerist,
en volgde hem terwijl ik dacht:
ik zal je voor je reet geven of als dat niet kan
sla mij dan maar,
de hoofdzaak is dat we bezig zijn -
tot hij De Bijenkorf in ging en ik,
duizelig van geilheid tegen mensen opbotsend,
zijn spoor bijster raakte.
Nochtans werd ik niet moede, U te loven.
Want onbegrijpelijk groot zijn al Uw werken:
Gij, die het wezen gemaakt hebt
dat van achteren een kut en van voren een staart heeft.
Zoals gezegd, ik had niet eens gedronken, maar toch wilde ik
U schreiend eren en in tranen voor U knielen,
O Meester, Slaaf en Broeder, Geslachte en Verrezen God.
Al neuriënd en in het geheim profeterend
vervolgde ik mijn weg.
Toen zag ik Bet van Beeren, aan een wit tafeltje
tegenover haar cafee gezeten, pogend met mes en vork
een makreel te openen om deze in de zon te eten.
Ik dacht kijk. Wat is in de Natuur toch alles mooi gemaakt.
(Denk maar aan al die sterren met hun lichtjaren.)
Ik wilde wel naar een of andere avondmis,
maar er was er geen.
Gerard Kornelis van het Reve, Nader tot U G.A. Van Oorschot/Amsterdam 1966 p. 143
vrijdag, april 09, 2004
dinsdag, april 06, 2004
woensdag, maart 31, 2004
'Een soort acrobaat was ik..mateloos bewonderd en aanbeden,
maar ook fel benijd en gehaat'
'De Vorstin keek peinzend, in diepe aandacht. Buiten, in de paleistuin, had de invallende schemering zich wederom verdicht; een tedere schaduw was over alles in het vertrek nedergedaald, en de zachte, milde trekken van het gelaat van Hare Genade waren nog maar deels te onderscheiden. Het was, alsof de vallende schemer mij als het ware bevrijdde door mij onzichtbaar te maken, zodat ik vrijmoediger zou durven spreken, uit het diepst van mijn hart, zonder schaamte... Hoe moest ik Hare Genade het uitleggen, en samenvatten, mijn leven...Een soort acrobaat was ik, ja...het was waar...een trapeze-artiest en waaghals, mateloos bewonderd en aanbeden, maar ook fel benijd en gehaat...door tallozen...'
Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.175
maar ook fel benijd en gehaat'
'De Vorstin keek peinzend, in diepe aandacht. Buiten, in de paleistuin, had de invallende schemering zich wederom verdicht; een tedere schaduw was over alles in het vertrek nedergedaald, en de zachte, milde trekken van het gelaat van Hare Genade waren nog maar deels te onderscheiden. Het was, alsof de vallende schemer mij als het ware bevrijdde door mij onzichtbaar te maken, zodat ik vrijmoediger zou durven spreken, uit het diepst van mijn hart, zonder schaamte... Hoe moest ik Hare Genade het uitleggen, en samenvatten, mijn leven...Een soort acrobaat was ik, ja...het was waar...een trapeze-artiest en waaghals, mateloos bewonderd en aanbeden, maar ook fel benijd en gehaat...door tallozen...'
Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.175
dinsdag, maart 30, 2004
'Ja Mevrouw...dat ben ik. Een jongen van een circus'
'De Vorstin wendde haar gezicht naar mij toe, en keek mij aan. Haar gelaatstrekken waren nu bijna geheel in het schemerdonker opgelost, maar haar tedere, wijze ogen lichtten nog op in de laatste glans van het daglicht.
'Is het zo... zoals U het schildert, Mijnheer? fluisterde zij. "Gevoelt U zich zo..als was U..een jongen..van een circus?...'
Ik haalde diep adem. 'Ja Mevrouw,'sprak ik, 'dat ben ik...
Een jongen van een circus...Dat ben ik altijd geweest, Mevrouw...En dat zal ik altijd blijven, zolang als ik leef: een circusjongen..."
Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.177
'De Vorstin wendde haar gezicht naar mij toe, en keek mij aan. Haar gelaatstrekken waren nu bijna geheel in het schemerdonker opgelost, maar haar tedere, wijze ogen lichtten nog op in de laatste glans van het daglicht.
'Is het zo... zoals U het schildert, Mijnheer? fluisterde zij. "Gevoelt U zich zo..als was U..een jongen..van een circus?...'
Ik haalde diep adem. 'Ja Mevrouw,'sprak ik, 'dat ben ik...
Een jongen van een circus...Dat ben ik altijd geweest, Mevrouw...En dat zal ik altijd blijven, zolang als ik leef: een circusjongen..."
Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.177
vrijdag, maart 26, 2004
Een tevreden lezer is geen onruststoker
'Alles is krankzinnig, maar toch zijn het twee gangbare personen: de tevreden lezer (die "geen onruststoker" is) en de geboren miesmacher die niets ziet, niets weet, nog nooit iets gelezen heeft (hij draagt wat een matglazen bril gelijkt) en precies schreeuwt wat er verwacht wordt.'
Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p.258
'Alles is krankzinnig, maar toch zijn het twee gangbare personen: de tevreden lezer (die "geen onruststoker" is) en de geboren miesmacher die niets ziet, niets weet, nog nooit iets gelezen heeft (hij draagt wat een matglazen bril gelijkt) en precies schreeuwt wat er verwacht wordt.'
Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p.258
woensdag, maart 24, 2004
'Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand'
'Ik herinner mij een uitlating van Gerard den Brabander van slechts enkele jaren geleden, tijdens een ietwat schemerige gedachtenwisseling over Leven, Dood, en Eeuwigheid. "Als er daarginds geen kroegen zijn, interesseert het me geen bal", luidde toen zijn conclusie. Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand. Maar áls er een daarginds is, en als God Liefde is, dan zijn er daar ook kroegen. Amen.' Valse pathetiek of echte pathetiek, als het maar pathetiek is. Gevoel desnoods zo vals als schuim -als het maar gevoel is. Zo denk ik erover.'
Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.76
'Ik herinner mij een uitlating van Gerard den Brabander van slechts enkele jaren geleden, tijdens een ietwat schemerige gedachtenwisseling over Leven, Dood, en Eeuwigheid. "Als er daarginds geen kroegen zijn, interesseert het me geen bal", luidde toen zijn conclusie. Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand. Maar áls er een daarginds is, en als God Liefde is, dan zijn er daar ook kroegen. Amen.' Valse pathetiek of echte pathetiek, als het maar pathetiek is. Gevoel desnoods zo vals als schuim -als het maar gevoel is. Zo denk ik erover.'
Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.76
dinsdag, maart 23, 2004
Wij zijn 'alleen maar God'
'De omgang met mensen is niet eenvoudig. Ik ben nu de ergste mensen kwijt, maar jij en ik zullen altijd belaagd blijven door mensen, die je weliswaar niet aktief in de grond willen stampen, maar je toch graag in hun eigen moeras onder water zouden willen medetrekken, waarin zij zelf bezig zijn te verzuipen. Als ze zeggen, dat niets zin heeft, dan hebben ze gelijk, maar dat geldt toch ook voor hun eigen gelul. Ons leven heeft geen zin in zichzelf: het krijgt pas zin als wij God er in herkennen. Wij zijn 'alleen maar God', om het ietwat paradoksaal uit te drukken.'
Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75
'De omgang met mensen is niet eenvoudig. Ik ben nu de ergste mensen kwijt, maar jij en ik zullen altijd belaagd blijven door mensen, die je weliswaar niet aktief in de grond willen stampen, maar je toch graag in hun eigen moeras onder water zouden willen medetrekken, waarin zij zelf bezig zijn te verzuipen. Als ze zeggen, dat niets zin heeft, dan hebben ze gelijk, maar dat geldt toch ook voor hun eigen gelul. Ons leven heeft geen zin in zichzelf: het krijgt pas zin als wij God er in herkennen. Wij zijn 'alleen maar God', om het ietwat paradoksaal uit te drukken.'
Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75
zondag, maart 21, 2004
zaterdag, maart 20, 2004
'Om veertien minuten voor tienen al naar Westerveld'
'Gisteren zag ik in de tuin een grijze nachtachtige vlinder met twee slurven driftig de bloesems van Afrikaantjes van honig ledigen. Ik bedacht dat die vlinder om kwart vóór zes al van Drees zou trekken, en om veertien minuten voor tienen al naar Westerveld zou moeten.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.70
'Gisteren zag ik in de tuin een grijze nachtachtige vlinder met twee slurven driftig de bloesems van Afrikaantjes van honig ledigen. Ik bedacht dat die vlinder om kwart vóór zes al van Drees zou trekken, en om veertien minuten voor tienen al naar Westerveld zou moeten.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.70
vrijdag, maart 19, 2004
"Niet verder dan in de hal'
'Over Liefde en levensgeluk praten en iets zeggen dat geen tautologie is, kan alleen als je van metafysische vertrekpunten uitgaat. Wetenschap is mooi en nuttig, als je haar maar niet verder binnenlaat dan in de hal.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.51
'Over Liefde en levensgeluk praten en iets zeggen dat geen tautologie is, kan alleen als je van metafysische vertrekpunten uitgaat. Wetenschap is mooi en nuttig, als je haar maar niet verder binnenlaat dan in de hal.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.51
donderdag, maart 18, 2004
woensdag, maart 17, 2004
'Zo is het'.
'Toch zijn we heel gelukkig, terwijl er een heleboel zijn die rustig zeggen dat er geen God is. maar dat is niet zo. Ik bedoel, die atheïsten die beweren dat God niet bestaat - dat komt alleen maar omdat zíj niet bestaan! Zo is het.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.36
'Toch zijn we heel gelukkig, terwijl er een heleboel zijn die rustig zeggen dat er geen God is. maar dat is niet zo. Ik bedoel, die atheïsten die beweren dat God niet bestaat - dat komt alleen maar omdat zíj niet bestaan! Zo is het.'
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.36
maandag, maart 15, 2004
'Een onstilbaar verlangen'
'Ik heb een onstilbaar verlangen naar vervoering, roes, naar iets dat mij zou kunnen betoveren en meevoeren: iets, waarvan ik zou kunnen erkennen, dat het groter was dan ik zelf. (En toch is het Koninkrijk binnen in U en 'reeds temidden van Ulieden'.
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.34
'Ik heb een onstilbaar verlangen naar vervoering, roes, naar iets dat mij zou kunnen betoveren en meevoeren: iets, waarvan ik zou kunnen erkennen, dat het groter was dan ik zelf. (En toch is het Koninkrijk binnen in U en 'reeds temidden van Ulieden'.
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.34
donderdag, maart 11, 2004
'Niet bizonder, maar wel ongewoon'
'Al met al heb ik een raar leven gehad, als ik erover nadenk. Niet bizonder, maar wel ongewoon, dat is misschien het juiste woord. Er schijnt in dat leven een voorzienigheid op te treden, niet een die mij ergens naar toe helpt of raad geeft, maar die mij steeds opnieuw aan iets doet ontsnappen zonder dat ik dat zelf weet. Vrolijker heeft die voorzienigheid mijn bestaan niet gemaakt, maar er misschien wel richting aan gegeven. Niettemin staan wij voor een raadsel; wij zien in de spiegel van duistere rede, en ik denk dat het ook zo moet zijn.'
Gerard Reve in: Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.71, 72
'Al met al heb ik een raar leven gehad, als ik erover nadenk. Niet bizonder, maar wel ongewoon, dat is misschien het juiste woord. Er schijnt in dat leven een voorzienigheid op te treden, niet een die mij ergens naar toe helpt of raad geeft, maar die mij steeds opnieuw aan iets doet ontsnappen zonder dat ik dat zelf weet. Vrolijker heeft die voorzienigheid mijn bestaan niet gemaakt, maar er misschien wel richting aan gegeven. Niettemin staan wij voor een raadsel; wij zien in de spiegel van duistere rede, en ik denk dat het ook zo moet zijn.'
Gerard Reve in: Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.71, 72
woensdag, maart 10, 2004
"Eigenlijk geloof ik maar één ding..."
' 'Eigenlijk", sprak ik langzaam, "eigenlijk geloof ik maar één ding... Ik geloof maar één enkel ding...'
'En dat is?..' vroeg professor Hemelsoet.
'Ik geloof maar één ding', herhaalde ik langzaam. Eén enkel ding...dat, nou ja...
"mijn hoop is in leven en sterven", zo heet dat toch...Eén enkel ding...Maar dat kan ik niet uitspreken...' Ik gevoelde mij duizelig worden. Er viel een zwijgen.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.289
' 'Eigenlijk", sprak ik langzaam, "eigenlijk geloof ik maar één ding... Ik geloof maar één enkel ding...'
'En dat is?..' vroeg professor Hemelsoet.
'Ik geloof maar één ding', herhaalde ik langzaam. Eén enkel ding...dat, nou ja...
"mijn hoop is in leven en sterven", zo heet dat toch...Eén enkel ding...Maar dat kan ik niet uitspreken...' Ik gevoelde mij duizelig worden. Er viel een zwijgen.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.289
zondag, maart 07, 2004
'Noch hij noch ik hadden dat beschikt'
'Het was te veel, alles wat ik in deze twee laatste sekonden dacht en gevoelde en tot een slotsom wilde voeren, maar op het bijna allerlaatste ogenblik, voordat ik de jongen zoude zien, en terwijl hij de laatste overloop onder mij reeds was gepasseerd, kwam er een wondere kalmte over mij, bijna weldadig als een vrede: er viel niets te besluiten, want het was noch de jongen zelf, die de beslissing had genomen mij te komen opzoeken, net zo min als het mijn eigen wil was geweest, die mij bewogen had op het station op het allerlaatste moment uit het treinportier mijn visitekaartje aan te reiken. Neen: hij was gekomen, en hij zoude weggaan -en heel misschien ooit, en naar alle waarschijnlijkheid nimmer meer terugkomen- maar noch hij noch ik hadden dat beschikt of zouden thans iets beschiken, omdat alles reeds, vóór alle tijden, door Iemand anders beschikt was geworden.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.198,199
'Het was te veel, alles wat ik in deze twee laatste sekonden dacht en gevoelde en tot een slotsom wilde voeren, maar op het bijna allerlaatste ogenblik, voordat ik de jongen zoude zien, en terwijl hij de laatste overloop onder mij reeds was gepasseerd, kwam er een wondere kalmte over mij, bijna weldadig als een vrede: er viel niets te besluiten, want het was noch de jongen zelf, die de beslissing had genomen mij te komen opzoeken, net zo min als het mijn eigen wil was geweest, die mij bewogen had op het station op het allerlaatste moment uit het treinportier mijn visitekaartje aan te reiken. Neen: hij was gekomen, en hij zoude weggaan -en heel misschien ooit, en naar alle waarschijnlijkheid nimmer meer terugkomen- maar noch hij noch ik hadden dat beschikt of zouden thans iets beschiken, omdat alles reeds, vóór alle tijden, door Iemand anders beschikt was geworden.'
Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.198,199
vrijdag, maart 05, 2004
'Het einde der tijden schijnt wel op handen te zijn'
'Het wordt, denk ik, steeds moeilijker over enig ernstig onderwerp een gesprek te voeren, waarin de ander na acht seconden nog weet wat hij zojuist heeft gezegd. Het einde der tijden schijnt wel op handen te zijn.'
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 1 Amsterdam/Antwerpen 1998 p.647
'Het wordt, denk ik, steeds moeilijker over enig ernstig onderwerp een gesprek te voeren, waarin de ander na acht seconden nog weet wat hij zojuist heeft gezegd. Het einde der tijden schijnt wel op handen te zijn.'
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 1 Amsterdam/Antwerpen 1998 p.647
vrijdag, februari 27, 2004
'Ergens op een stenen brug
'In die nacht had ik opnieuw, als zo dikwijls, vastgesteld dat van huis uit mij nooit veel gelukt was. Als ik mijn jeugd opnieuw moest samenvatten, dan was dit het beeld: er was schraal, rossig zonlicht, laat in de namiddag, en ik stond ergens op een stenen brug, en het woei, fel en koud, zonder ophouden -misschien was daar wel de eigenlijke geschiedenis van mijn leven begonnen.'
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 3, Een Circusjongen Amsterdam/Antwerpen 1999 p. 45
'In die nacht had ik opnieuw, als zo dikwijls, vastgesteld dat van huis uit mij nooit veel gelukt was. Als ik mijn jeugd opnieuw moest samenvatten, dan was dit het beeld: er was schraal, rossig zonlicht, laat in de namiddag, en ik stond ergens op een stenen brug, en het woei, fel en koud, zonder ophouden -misschien was daar wel de eigenlijke geschiedenis van mijn leven begonnen.'
Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 3, Een Circusjongen Amsterdam/Antwerpen 1999 p. 45
donderdag, februari 26, 2004
Je doel bereiken
'Je moest doen wat je kon doen, ja, dat was zo, en je moest datgene doen waarmede je de meeste kans had om je doel te bereiken. deed je méér, dan bereikte je niets méér, maar schoot je bijna altijd het doel voorbij.'
Gerard Reve, in Verzameld Werk deel 5 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.331
'Je moest doen wat je kon doen, ja, dat was zo, en je moest datgene doen waarmede je de meeste kans had om je doel te bereiken. deed je méér, dan bereikte je niets méér, maar schoot je bijna altijd het doel voorbij.'
Gerard Reve, in Verzameld Werk deel 5 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.331
woensdag, februari 25, 2004
dinsdag, februari 24, 2004
'Alles betekende iets'
'Alles betekende iets, meende Treger, en alles had met elkaar te maken. Was het waar dat iets wat geweest was niet meer bestond, zoals iedereen behalve hij geloofde? "De naam," dacht hij. "Wat is daarvan de naam?" Hij wist niet wat die plotselinge gedachte betekende.'
Gerard Reve in Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p. 51
'Alles betekende iets, meende Treger, en alles had met elkaar te maken. Was het waar dat iets wat geweest was niet meer bestond, zoals iedereen behalve hij geloofde? "De naam," dacht hij. "Wat is daarvan de naam?" Hij wist niet wat die plotselinge gedachte betekende.'
Gerard Reve in Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p. 51
maandag, februari 23, 2004
Een probaat middel
'Ik weet een middel om van een oude kop nog een betrekkelijk nieuwe te maken. Je wast des avonds je gezicht, wrijft het dan in met lanolinekrem, en gaat er dan mede voor een warmtelamp zitten. Dan naar bed. 's Morgens goed wassen en het resultaat valt werkelijk mede.'
Gerard Reve/Willem Nijholt Met niks begonnen Amsterdam/Antwerpen, tweede druk p.29, 30
'Ik weet een middel om van een oude kop nog een betrekkelijk nieuwe te maken. Je wast des avonds je gezicht, wrijft het dan in met lanolinekrem, en gaat er dan mede voor een warmtelamp zitten. Dan naar bed. 's Morgens goed wassen en het resultaat valt werkelijk mede.'
Gerard Reve/Willem Nijholt Met niks begonnen Amsterdam/Antwerpen, tweede druk p.29, 30
vrijdag, februari 20, 2004
Reisgebed
'O God. Ik sta op het punt op reis te gaan. Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is. Ik wil U liefhebben. Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen. Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken. Ik sta voor U. Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor. Want in leven en sterven zijt Gij in mij, en ben ik in U. Ik ga nu weg. Vaarwel, o God'
uit: Gerard Reve, Brieven van een aardappeleter, Amsterdam 1993, vierde druk, p.94
'O God. Ik sta op het punt op reis te gaan. Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is. Ik wil U liefhebben. Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen. Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken. Ik sta voor U. Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor. Want in leven en sterven zijt Gij in mij, en ben ik in U. Ik ga nu weg. Vaarwel, o God'
uit: Gerard Reve, Brieven van een aardappeleter, Amsterdam 1993, vierde druk, p.94
donderdag, februari 19, 2004
'Eén lange vlucht voor de Dood'
'Een mens kon zijn eigen zo gek maken als hij zelf wilde, maar wat had men daaraan? Gevaren, ja, die waren er, want het gehele leven was immers één lange en gevaarlijke reis, één bange vlucht dus, ja voor wat? Had ik dat ergens gelezen? Eén Bange Vlucht Voor De Dood? Waarschijnlijk wel, want zoiets bedacht je zelf niet, als je goed bij je verstand was.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.225,226
'Een mens kon zijn eigen zo gek maken als hij zelf wilde, maar wat had men daaraan? Gevaren, ja, die waren er, want het gehele leven was immers één lange en gevaarlijke reis, één bange vlucht dus, ja voor wat? Had ik dat ergens gelezen? Eén Bange Vlucht Voor De Dood? Waarschijnlijk wel, want zoiets bedacht je zelf niet, als je goed bij je verstand was.'
Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.225,226
woensdag, februari 18, 2004
dinsdag, februari 17, 2004
'In den beginne was het Woord'
"Voor mij is het schrijven van een lange brief een magiese noodzaak. Alles boezemt mij angst en verlatenheid in, waar ik ook ben, maar ik kan de 'werkelijkheid' om mij heen door het schrijven bezweren. Zo enige regel uit de Schrift, dan is deze voor mij absoluut waar: 'In den beginne was het Woord.' "
Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.149
"Voor mij is het schrijven van een lange brief een magiese noodzaak. Alles boezemt mij angst en verlatenheid in, waar ik ook ben, maar ik kan de 'werkelijkheid' om mij heen door het schrijven bezweren. Zo enige regel uit de Schrift, dan is deze voor mij absoluut waar: 'In den beginne was het Woord.' "
Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.149
maandag, februari 16, 2004
'Alles is één'
'(Alles is één, III) of men zich nu Parijs, Lissabon, Sevilla of Harrow & Wheelstone bevindt: het ledikant met de koperen ballen, immer de vrees oproepend van eenzaam te zullen sterven; het nachtkastje met marmeren blad erop en sinaasappelschillen erin; het voor schrijven te lage en ook verder nutteloze, opklapbare tafeltje, dat hup-hup doet, omdat de vierde poot een flink eind boven de vloer blijft, wat altijd, bij het klandestien inschenken van het eerste glas rode wijn, een fikse gulp over de kledij doet gaan; het kabinetje dat noch tafel, noch burootje is, en waaraan dan ook schrijven eveneens onmogelijk is; de dubbeldeurige hangkast met spiegels, die via depressies tot reeksen van overmatige masturbatie leidt; de twee lampjes, één boven het bed en een ander aan het plafond, met soms nog een derde boven de wastafel 'die vrijwel nooit met hun drieën tegelijk kunnen branden, hoewel ze samen zelden de 75 Watt te boven gaan; en tenslotte, de reeds eerder genoemde vitrage waardoorheen, in alle steden der aarde, hetzelfde gezeefde licht naar binnen valt, waardoor Vastgebonden Jongens gemarteld zouden moeten worden, die er natuurlijk niet zijn, zeker niet in een derdeklashotel...'
Gerard kornelis van het Reve, Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.154
'(Alles is één, III) of men zich nu Parijs, Lissabon, Sevilla of Harrow & Wheelstone bevindt: het ledikant met de koperen ballen, immer de vrees oproepend van eenzaam te zullen sterven; het nachtkastje met marmeren blad erop en sinaasappelschillen erin; het voor schrijven te lage en ook verder nutteloze, opklapbare tafeltje, dat hup-hup doet, omdat de vierde poot een flink eind boven de vloer blijft, wat altijd, bij het klandestien inschenken van het eerste glas rode wijn, een fikse gulp over de kledij doet gaan; het kabinetje dat noch tafel, noch burootje is, en waaraan dan ook schrijven eveneens onmogelijk is; de dubbeldeurige hangkast met spiegels, die via depressies tot reeksen van overmatige masturbatie leidt; de twee lampjes, één boven het bed en een ander aan het plafond, met soms nog een derde boven de wastafel 'die vrijwel nooit met hun drieën tegelijk kunnen branden, hoewel ze samen zelden de 75 Watt te boven gaan; en tenslotte, de reeds eerder genoemde vitrage waardoorheen, in alle steden der aarde, hetzelfde gezeefde licht naar binnen valt, waardoor Vastgebonden Jongens gemarteld zouden moeten worden, die er natuurlijk niet zijn, zeker niet in een derdeklashotel...'
Gerard kornelis van het Reve, Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.154
zondag, februari 15, 2004
Alles wat ik over dat Ene heb gezegd...
'Dat denk ik ook,' beaam ik. 'God gaat de ene Zondag naar de katholieke kerk, en de andere Zondag gaat Hij naar de protestantse kerk.'
Terwijl ik dit zeg, bevangen mij een onbegrijpelijk verdriet, en angst, en twijfel, en ik moet denken aan alles wat ik over dat Ene heb gezegd en geschreven en geloofd en verworpen heb, in mijn verspilde leven van opgejaagde clown; wat weet ik ervan af: wie, en waar, en hoe, en òf Hij is, en naar welke kerk Hij gaat?...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.189
'Dat denk ik ook,' beaam ik. 'God gaat de ene Zondag naar de katholieke kerk, en de andere Zondag gaat Hij naar de protestantse kerk.'
Terwijl ik dit zeg, bevangen mij een onbegrijpelijk verdriet, en angst, en twijfel, en ik moet denken aan alles wat ik over dat Ene heb gezegd en geschreven en geloofd en verworpen heb, in mijn verspilde leven van opgejaagde clown; wat weet ik ervan af: wie, en waar, en hoe, en òf Hij is, en naar welke kerk Hij gaat?...'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.189
zaterdag, februari 14, 2004
vrijdag, februari 13, 2004
Nooit was ik zo dicht bij hem geweest
'Slechts enkele meters scheidden mij van het wezen, dat ik zou willen aanbidden en waarvoor ik zou willen knielen: nooit was ik zo dicht bij hem geweest, maar nooit, in alle tijd en eeuwigheid, zou het mij vergund zijn dichter bij hem te geraken dan ik nu was.'
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.265
'Slechts enkele meters scheidden mij van het wezen, dat ik zou willen aanbidden en waarvoor ik zou willen knielen: nooit was ik zo dicht bij hem geweest, maar nooit, in alle tijd en eeuwigheid, zou het mij vergund zijn dichter bij hem te geraken dan ik nu was.'
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.265
woensdag, februari 11, 2004
Een ongelukkige jeugd...maar ik maak er nooit misbruik van '
'Men spreekt van de onbezorgde jongenstijd,' mijmerde Treger voort. 'Bestaat zoiets?' Waar halen de mensen dat vandaan? Treger verzette zich zo lang mogelijk regen de zich aandienende herinneringen aan lang geleden, maar hij kon ze niet altijd het zwijgen opleggen. 'Nee, geen erg gelukkige tijd', mompelde hij. 'Ik was eigenlijk een erg ongelukkig kind. Een ongelukkige jeugd, zo heet dat toch? Maar ik maak er nooit misbruik van '
Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.102
'Men spreekt van de onbezorgde jongenstijd,' mijmerde Treger voort. 'Bestaat zoiets?' Waar halen de mensen dat vandaan? Treger verzette zich zo lang mogelijk regen de zich aandienende herinneringen aan lang geleden, maar hij kon ze niet altijd het zwijgen opleggen. 'Nee, geen erg gelukkige tijd', mompelde hij. 'Ik was eigenlijk een erg ongelukkig kind. Een ongelukkige jeugd, zo heet dat toch? Maar ik maak er nooit misbruik van '
Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.102
dinsdag, februari 10, 2004
'Want God Die zat heus niet stil'
'Ik kom hem tegen, ik zie hem terug, het kan kort of het kan lang duren,' hield Treger zich voor. 'De dingen gaan een keer nemen, eindelijk, en een keer ten goede.'
Ja op den duur gingen de dingen de goede kant uit, als je maar geduld en vertrouwen had, want God Die zat heus niet stil.'
Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.218
'Ik kom hem tegen, ik zie hem terug, het kan kort of het kan lang duren,' hield Treger zich voor. 'De dingen gaan een keer nemen, eindelijk, en een keer ten goede.'
Ja op den duur gingen de dingen de goede kant uit, als je maar geduld en vertrouwen had, want God Die zat heus niet stil.'
Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.218
zondag, februari 08, 2004
zaterdag, februari 07, 2004
'Ontboei mij, Moeder...maak mij vrij'
Maria Middelares beeld van Aloïs De Beule uit Gent
Fraterniteit Ieper
'Ontboei mij, Moeder...maak mij vrij,' fluisterde hij opeens.
Dat was het! Hoe was het mogelijk! En vrij, dat rijmde op ik weet niet wat allemaal, zo maar een gave...Neen, dat kon niemand hem afnemen.
'Neem van mij af...' fluisterde Treger, opeens in volle vervoering gerakend. Maar wat moest Zij van hem afnemen? Nu ja, te veel om op te noemen, maar Treger wees die frivole overweging af, want deze plotselinge inzet van een derde regel, die mocht er zijn...'Neem van mij af...'prevelde hij, bijna niet meer aarzelend. "Neem van mij af...de...de...ketenen der zonde.'
Gerard Reve Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.121
Maria Middelares beeld van Aloïs De Beule uit Gent
Fraterniteit Ieper
'Ontboei mij, Moeder...maak mij vrij,' fluisterde hij opeens.
Dat was het! Hoe was het mogelijk! En vrij, dat rijmde op ik weet niet wat allemaal, zo maar een gave...Neen, dat kon niemand hem afnemen.
'Neem van mij af...' fluisterde Treger, opeens in volle vervoering gerakend. Maar wat moest Zij van hem afnemen? Nu ja, te veel om op te noemen, maar Treger wees die frivole overweging af, want deze plotselinge inzet van een derde regel, die mocht er zijn...'Neem van mij af...'prevelde hij, bijna niet meer aarzelend. "Neem van mij af...de...de...ketenen der zonde.'
Gerard Reve Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.121
vrijdag, februari 06, 2004
woensdag, februari 04, 2004
De taboes God en de Dood
'Taboes doorbreken is niet, zoals men lastert, mijn ambitie, en seksuele taboes tast ik in ieder geval niet aan, want die hebben in de Nederlandse literatuur allang afgedaan; twee andere taboes doorbreek ik, zij het zonder opzet en zonder zucht tot opspraak, wel, zulks tot grote woede van de aanhangers van het rationalisme en van dat andere bijgeloof, de surrogaat-filosofie die histories materialisme heet: Ik bedoel de taboes God en de Dood. Het geeft in Nederland aanstoot, indien men zijn heimwee naar God belijdt, en de Dood de plaats geeft, die hem toekomt.'
Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p.97, 98
'Taboes doorbreken is niet, zoals men lastert, mijn ambitie, en seksuele taboes tast ik in ieder geval niet aan, want die hebben in de Nederlandse literatuur allang afgedaan; twee andere taboes doorbreek ik, zij het zonder opzet en zonder zucht tot opspraak, wel, zulks tot grote woede van de aanhangers van het rationalisme en van dat andere bijgeloof, de surrogaat-filosofie die histories materialisme heet: Ik bedoel de taboes God en de Dood. Het geeft in Nederland aanstoot, indien men zijn heimwee naar God belijdt, en de Dood de plaats geeft, die hem toekomt.'
Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p.97, 98
dinsdag, februari 03, 2004
Groenten & aardappelen
'Ik heb ontdekt, dat het literair van belang is, wat een huisvrouw in een bepaald jaar, in een bepaalde portiek, verklaart aangaande de verhouding, in hoeveelheid, tussen groenten & aardappelen op een bord. Die ontdekking heeft mij jaren gekost, maar die stuur ik je gratis & voor niks, gewoon als kunstbroeder aan kunstbroeder.'
Gerard Reve in Schoon Schip 1945-1984 Amsterdam MCMLXXXIV p.207
'Ik heb ontdekt, dat het literair van belang is, wat een huisvrouw in een bepaald jaar, in een bepaalde portiek, verklaart aangaande de verhouding, in hoeveelheid, tussen groenten & aardappelen op een bord. Die ontdekking heeft mij jaren gekost, maar die stuur ik je gratis & voor niks, gewoon als kunstbroeder aan kunstbroeder.'
Gerard Reve in Schoon Schip 1945-1984 Amsterdam MCMLXXXIV p.207
Abonneren op:
Posts (Atom)