dinsdag, maart 28, 2006

'Hij is de Liefde, & niets dan de Liefde..'

‘Men moet ook eens kunnen brullen van het lachen om alles, vind ik, anders stik je. En er is wel degelijk troost: niemand kan je beletten God lief te hebben. Hij is de Liefde, & niets dan de Liefde, & zal eens alles overwonnen & onderworpen hebben, wat nu nog Hem wederstreeft, geloof ik. De bakker geeft er geen brood voor, maar toch is het zo.’

Gerard Reve, in Archief Reve 1961-1980, Baarn 1982 p.185

maandag, maart 27, 2006

'Maar nu gaat de storm liggen, & schijnt het ochtend te worden.."



Ik ben door waanzinnige angsten verteerd, lange tijd -angsten waaruit eigenlijk niemand je kan redden -maar nu gaat de storm liggen, & schijnt het ochtend te worden.
Ik durf nu te geloven, dat God Liefde is, & dat hij niets of niemand, ooit, verloren zal laten gaan. Het kan niet slecht of verkeerd zijn dat te geloven. En, ten slotte, heb ik tot God kunnen zeggen: 'Als het niet ten koste gaat van iemand anders, weiger mij dan niet uw heil.'

Gerard Reve, in Archief Reve 1961-1980, Baarn 1982 p.200

zondag, maart 26, 2006

'De grootsheid en betoverende luister van het leven'

Ik hoop, dat je wederom oog hebt gekregen voor de grootsheid en betoverende luister van het leven. Ik ben ook ongelukkig, maar hoor je me ooit klagen? Ik zoude me trouwens geen raad weten, als ik opeens gelukkig werd.

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.428

vrijdag, maart 24, 2006

‘Levendmakende waarheden’



‘Ik weet niet, wie God is, noch, wat men zich moet voorstellen als men het over het Eeuwige leven heeft, & evenmin, wat de Onbevlekte Ontvangenis of de Lichamelijke Tenhemelopneming van de Maagd concreet inhouden, maar ik weet wel, dat al deze religieuze begrippen op diepe & beslissende wijze met mij te maken hebben, & dat ik mijn leven verschraal & verarm, & er alle dimensie aan ontneem, als ik ze afwijs. Het zijn ‘levendmakende waarheden’, zoals ik het zelf, op mijn eigen eenvoudige manier, belief onder woorden te brengen.’

Gerard Reve in Archief Reve 1961-1980, Baarn 1982 p.184, 185

donderdag, maart 23, 2006

‘Eeuwig grafrecht’ nog wel.

‘Leven zoals die mensen is ons niet gegeven, maar het is goed om veel aan de Dood te denken, en zo veel mogelijk voorzieningen te treffen. Ik heb eindelijk een testament gemaakt waarmede ik tevreden en ik heb op het kerkhof alhier twee graven naast elkaar gekocht, met prachtig uitzicht op het dal, voor slechts 40 francs per stuk. ‘Eeuwig grafrecht’ nog wel. Als ik daarbij bedenk dat ik als rooms-katholiek ook nog een eeuwig leven heb, kent mijn tevredenheid geen grenzen.‘

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.394

woensdag, maart 22, 2006

’ De Dood is een groot geluk, of althans iets hoopvols’



Toen ik eerverleden jaar, na 32 jaren, ons Indië terugzag, en enige weken op het eiland Bali vertoefde, zag ik hoe daar de Dood feestelijk vereerd wordt: wat de Christen probeert te geloven, gelooft de Hindoe. Als je daar sterft word je eerst een paar weken in de wijnazijn gelegd, want de voorbereidingen tot de uitvaart kosten veel tijd. Het is een grote eer voor de familie, als er zoveel mogelijk mensen naar de verbranding komen kijken, ook als het buitenstaanders of zelfs vreemdelingen zijn. Eerst gaat voor honderdduizenden guldens aan offers het vuur in: gewaden, meubels, sieraden ect. Daarna de dode zelf, die verbrand wordt in een soms wel tien meter hoge toren van bamboe, kleurig vliegerpapier en vogelvederen. Alles opgeluisterd met zang, dans en verversingen aangeboden door de familie of verkocht aan rondom opgestelde ijs- of oliebollenkraampjes. De Dood is een groot geluk, of althans iets hoopvols, want eens, na een lange reeks van reïncarnaatsies, word de mens verlost van het bestaan en in het Nirwana toegelaten. De opvatting bij een sterfgeval is ongeveer: ’Die is tenminste een stap verder.’

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.394

dinsdag, maart 21, 2006

’De Dood echter blijft een probleem...’

Het leven is goed, maar dat wist je natuurlijk reeds. De Dood echter blijft een probleem, vermoedelijk omdat men hem als een indringer beschouwt, die op zijn minst schuldig is aan huisvredebreuk. Men houdt geen rekening met hem, leert op school niets aangaande hem, noch hoe met hem om te gaan, ect. Dat is niet altijd en overal zo.

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.384

maandag, maart 20, 2006

Vier aspekten (4)
'Maar de Gerardheid van Gerard is een verborgenheid’.




‘Het vierde aspekt is de kennis van het ding door het verstand. Deze is geen echte kennis, maar een rangschikking, waarin het ding alleen in verband met iets anders een voorlopige & eigenlijk volslagen fiktieve waardering krijgt. Over mij kan alles gezegd worden, waarin ik van anderen verschil, zonder dat wij wezenlijk weten wie ik ben. Mijn naam is anders dan die van een ander, de straat is een andere dan alle andere straten, nummer en verdieping zijn uniek, maar de Gerardheid van Gerard is een verborgenheid. De verschrikking is, dat ontelbaren in alle ernst geloven, dat de empirische –uitsluitend op de onderlinge vergelijking van wezenlijk even onkenbare dingen berustende- kennis, echte kennis is.’

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975, Amsterdam 1981, p. 221, 222

zondag, maart 19, 2006

Vier aspekten (3)



‘Het derde aspekt is de betekenis, de zingeving, die wij in het ding projekteren & aan het ding toekennen. Hier ligt evenveel wijsheid als ijdel misverstand, maar onder ideale omstandigheden, projekteert de waarlijk mystiek bewogen mens in het ding datgene, dat er reeds door God in is gesymboliseerd, & komen de van God gegeven betekenis & de menselijke projeksie overeen.’

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975, Amsterdam 1981, p. 221

zaterdag, maart 18, 2006

Vier aspekten (2)



‘Het tweede aspekt is datgene, wat door het ding vertolkt, tot uitdrukking gebracht, gesymboliseerd wordt. Omdat wij van Gods geslacht zijn, & min of meer familie zijn van God, kunnen we dat, onder gunstige omstandigheden, soms wel begrijpen.’

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975, Amsterdam 1981, p. 221

vrijdag, maart 17, 2006

Vier aspekten (1)



‘Voor bijna alle mensen met wie ik veroordeeld ben te verkeren, hebben de dingen maar één aspekt, terwijl ze er volgens mij, vier hebben. Het eerste aspekt is, wat ene ding werkelijk, in diepste en totaalste wezen is. Het is ons niet gegeven dat te kennen, zomin als wij God kunnen kennen. Men kan niet iets kennen, zonder het te zijn. De Schrift is daar duidelijk genoeg over: (..) want nu zien wij in de spiegel van een duistere rede; en nu ken ik ten dele (I Cor.13).’

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975, Amsterdam 1981, p. 221

donderdag, maart 16, 2006

’Als ik schilder was..’



Een paar dagen geleden reden we in de buurt van Ferwoude langs een boerderij. In het vers gemaaide gras van de bleek lag, als een kleine sfinx een lapjeskat. Het licht op het verse, al welkende gemaaide en op het oog groen overgebleven gras, was overweldigend. Als ik schilder was, zou ik wekenlang proberen iets ervan vast te leggen.

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975, Amsterdam 1981, p. 221

woensdag, maart 15, 2006

* Een terugblik: Boekenweek 1981



'Het verhaal van de boekenweek gaat over mijn verhouding met een jonge vrouw van het vrouwelijk geslacht, in 196*. Erg ontroerend. Neen, ze werkt niet als acrobate in een circus, en is ook niet mank. Geen Van Oorschotpersonage dus, maar een gewone vrouw, warm-menselijk, huiselijk, mooi, hartstochtelijk en begeerlijk. Het is erg jammer voor haar dat ik van de herenliefde ben, hoewel dat het verhaal een mooie tragiese wending geeft.'

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.405

* In 1980 vroeg het CPNB aan Gerard Reve om het boekenweekgeschenk van het jaar daarop te schrijven. Het CPNB beschouwde Reves uiteindelijke manuscript als te controversieel en gaf de opdracht aan een ander.

Luister en kijk naar Gerard Reve 1981 in Andere Tijden:
http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/3490389/

dinsdag, maart 14, 2006

'Ik heb me ermee verzoend...'



'Ik heb me ermee verzoend, dat ik met niemand over een gedicht van *Novalis, of over het leven & het werk van Poe, of over de Moeder van God, of over al datgene, wat leven is & leven maakt, één woord kan wisselen. Als God zelf diep & bitter getwijfeld heeft dan behoeft een mens zich vor zijn zwakheid niet te schamen.'

* Novalis Hymne

maandag, maart 13, 2006

'Requiem eternam dona eïs, Domine!'



'De idee van een onsterfelijkheid bezwaart mij. Stel je voor, dat de mensen aan wie je allerlei onrecht hebt begaan, maar aan wie nu, God lof, voorgoed het zwijgen is opgelegd -dat die mensen nog ergens zouden bestaan, & hun klachten ergens zouden kunnen indienen, te eniger tijd -ik mag er niet aan denken! Als er in de Mis van de Doden sprake is, zing ik altijd uit volle borst mee: Requiem eternam dona eïs, Domine! Heer, geef hen de eeuwige rust! Dat ze nooit meer, onder allerlei neuzelende & klaagzieke voorwendsels langs mogen komen.'

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.263

zondag, maart 12, 2006

'Meer dan...de kanalisering van verlangens naar Liefde, Schoonheid & Vrede'



'Ik zou wel willen, dat ik iets, met mijn gehele wezen & hart, kon geloven, & dat de Religie iets meer voor mij betekende dan een stijl van leven, een tradietsie, & de kanalisering van verlangens naar Liefde, Schoonheid & Vrede in een estetiserend Wiegelied. (Toch ben ik mijn Moeder de Heilige kerk oneindig dankbaar voor het miniem weinige dat zij mij, uit haar boerse wijsheid, nog weet te schenken.)

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.263

zaterdag, maart 11, 2006

'Er is voor de mens geen hoop dan die van Gods genade.'




'Ik heb vaak rare gedachten, die ik niet kan beredeneren, verdedigen of uitbannen, zoals een zin die de hele dag door mij heen drenst & dreunt: 'Er is voor de mens geen hoop dan die van Gods genade.' Het zal wel al lang ergens staan, op papier bedoel ik, in de tekst van een of andere kunstbroeder die het zich eveneens moeilijk maakte. Ik zou wel eens willen weten, wat (of dat) God van mij wilde. Misschien weet Hij het Zelf niet eens. Ik zal maar proberen hard te werken. Ik zal wel eerder sterven dan Tijger. Dan vraag ik God, of ik, zij het onzichtbaar, als Engel bij Tijger mag blijven. Als God het niet goed vindt, vraag ik het aan zijn Moeder, Die alles weet en alles begrijpt, & aan Wie Hij niets kan weigeren. Zodoende kompt dan alles, zij het langs een omweg, allemaal toch nog goed.'

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.258

vrijdag, maart 10, 2006

'Ik zie dingen die mijn kunstbroeders niet zien..'

Ik ben zeer pesimistisch over de wereld, maar niet over mijn werk. Ik zie dingen die mijn kunstbroeders niet zien & hoor stemmen, die, door hun sportknalpot, voor hen onhoorbaar blijven. Ik geloof dat ik mooie dingen kan maken. Pessimisme is gezond, maar als je zowel aan de maatschappij als aan jezelf twijfelt, kun je niet leven of werken (Louis Lehmann)

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.249

woensdag, maart 08, 2006

'Tob maar niet te veel'



'Tob maar niet te veel. De weg naar het Licht voert, naar het heet, door de allerdiepste duisternis.'

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.211
Malle Gedachten

'Ik heb malle, maar voor mij heel wezenlijke gedachten: dat God verschrikkelijk lijdt & door mij getroost wil worden.'

Gerard Reve, in Briefwisseling Geert van Oorschot 1951-1987, Amsterdam 2005 eerste druk p.210

donderdag, maart 02, 2006

'Ik heb hem gezocht, anders niets en niemand, nooit'.

Het is heel zonderling, want ik heb een zekere distantie gekregen van veel dingen, ik bedoel ik kan een aantal zaken niet meer belangrijk vinden, en wil alleen maar schrijven & dichten, aan de zee, in vrede, over dingen van vroeger, maar vooral over God, wat een schier onuitputtelijk onderwerp is. 'Dit is nu al 's jongelings vierde gedicht over God en steeds heeft hij nieuwe denkbeelden over dat onderwerp.' Ik wil nog eens een ingrijpend gedicht schrijven als een getuigenis dat ik van alles gedaan heb, tijdvermorsing, stompzinnig genaai, ontucht op de middagen, slechte daden jegens mensen, misleiding, bedrog en ontrouw, maar dat ik hem gezocht heb, anders niets en niemand, nooit, dat ik alleen geleefd heb uit hoop hem te ontmoeten en aan te raken en met hem mee te gaan, dat alles dwaasheid is en ijdelheid en stof en kaf en dat ik alleen maar naar hem verlang, hongerende en dorstende naar zijn Voltooiing. Nu ja.

Gerard Reve, Brieven aan Wimie 1959-1963, Utrecht MCMLXXX p.142

woensdag, maart 01, 2006

Verleden of Toekomst

'Sterk vergroofd, komt het verschil hierop neer, dat onze cultuur grotendeels naar binnen, de Noordamerikaanse naar buiten gericht is. Terwijl onze geestelijke activiteit voornamelijk ingesteld is op het verwerken en het zich rekenschap geven van het verleden en het zich verdiepen in onszelf, is die van de Amerikaan gericht op het veroveren van de toekomst en het, met expansieve kracht, grijpen van zoveel mogelijk van alles wat hem omringt.'

Gerard Reve Schoon Schip 1945-1984, Amsterdam MCMLXXXIV p.75

maandag, september 26, 2005

"Een vogel zingt om zijn Schepper te loven"



Een vogel zingt om zijn Schepper te loven. Als hij niet door het dichte struweel aan onze blik onttrokken is, zien wij hoe zijn vedertjes in bonte kleurenpracht medetrillen met zijn zang, wat mijn woorden duidelijk bevestigt.
Ik stond eens in de vroege zomeravond samen met de cultuurfilosoof Eddy Kleingeld naar zulk een vogelken te kijken en te luisteren, en deze Eddy Kleingeld had een geheel andere opvatting dan de mijne, die dan ook geheel onjuist was. Volgens hem zaten er in het dier, die vogel dus, allemaal klieren die het aan het zingen zetten om zodoende zijn gebied af te bakenen en een andere vogel tot geslachtsverkeer uit te nodigen. Ik geloofde dat niet en U gelooft het natuurlijk ook niet, maar die Eddy geloofde alles, als het maar ergens in stond, al wist hij natuurlijk niet meer in welke krant of periodiek het was. Ik zeide dus die vogel die heb helemaal geen klieren, daar is hij trouwens veel te klein voor, maar jij hebt wel klieren, gewoon in dat misvormde suikerzieke nichtenlichaam van je want je bent tegen God terwijl die vogel gewoon uit zichzelf, spontaan dus, een geheel lied voor God zingt dat niemand hem geleerd heeft, intuïtief dus, door een diepe vroomheid. Wist jij dat bijna alle vogels katholiek zijn, zelfs als ze niet zingen? Ik heb jou nog nooit horen zingen, want dat kun je niet. Wel een rare vogel, die Eddy, vindt U ook niet?

Gerad Reve, Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.56,57

vrijdag, september 23, 2005

'Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand.'

"Ik weet niet of ik het je wel geschreven heb, maar ik heb deze woorden op het kerkhof gesproken: ‘Ik herinner mij een uitlating van Gerard den Brabander van slechts enkele jaren geleden, tijdens een ietwat schemerige gedachtenwisseling over Leven, Dood en Eeuwigheid. “Als er daarginds geen kroegen zijn, interesseert het mij geen bal”, luidde toen zijn conclusie. Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand. Maar áls er een daarginds is, en als God liefde is, dan zijn daar ook kroegen. Amen.’ Valse pathetiek of echte pathetiek, als het maar pathetiek is. Gevoel desnoods zo vals als schuim –als het maar gevoel is. Zo denk ik erover."

Gerard Reve, in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.76

maandag, september 19, 2005

'Ons leven is slechts een droom, of schaduw'

'Alle dingen, en ook wij, zijn de openbaring Gods, en moeten als symbool gezien worden, als je begrijpt wat ik bedoel. Ons leven is slechts een droom, of schaduw, en de enige zin ervan is, dat het de droom, of de schaduw, van God is. Alleen met dat besef kan de mens gezond leven. De religie vertolkt dat besef en heeft daardoor therapeutische kracht.'

Gerard Reve, in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75

zaterdag, september 17, 2005

Wij zijn 'alleen maar God'

'Ons leven heeft geen zin in zichzelf: het krijgt pas zin, als wij God er in herkennen. Wij zijn 'alleen maar God', om het ietwat paradoksaal uit te drukken. Alle dingen, en ook wij, zijn de openbaring Gods, en moeten als symbool gezien worden, als je begrijpt wat ik bedoel.'

Gerard Reve, in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75

vrijdag, september 16, 2005

'De omgang met mensen is niet eenvoudig'



'De omgang met mensen is niet eenvoudig. Ik ben nu de ergste mensen kwijt, maar jij en ik zullen altijd belaagd blijven door mensen, die je weliswaar niet actief in de grond willen stampen, maar je toch graag in hun eigen moeras onder water zouden willen medetrekken, waarin zij zelf bezig zijn te verzuipen - om hulp kermend, maar in iedere uitgestoken hand bijtend. Als ze zeggen, dat niets zin heeft, dan hebben ze gelijk, maar dat geldt dan toch ook voor hun eigen gelul.'

Gerard Reve, in Brieven aan Frans P.1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75

woensdag, september 14, 2005

"Over Gods Majesteit praten, dat mag best"

Ik ben mij aan het verheffen – althans dat hoop ik – uit een Najaars Despressie. Ik zoek God, & Hij is nergens; ik schreeuw tot Hem, maar krijg geen antwoord – hoe kan het ook anders, want mijn gehele leven is zondige ijdelheid. Mijn boeken verkopen goed, maar alles wat ik geschreven heb, is geschreven tot mijn eigen verheerlijking & glorie, & niet tot viering & glorie van Zijn onbegrijpelijke, grenzenloze Majesteit. (Je moet hierover maar niet met andere mensen praten, over mijn despressie bedoel ik, want over Gods Majesteit praten, dat mag best, & dat gebeurt veel te weinig, vandaag de dag.)

Ik heb malle, maar voor mij heel wezenlijke gedachten: dat God verschrikkelijk lijdt, & door mij getroost wil worden.

Ach: elke herdruk bevat meer fouten. Ze lezen me nog tien jaar, vrijwillig, & daarna nog twintig jaar, op de scholen; & daarna noemen ze een straat naar me, & dan, inderdaad, ben ik, voor eeuwig, vergeten. Maar intussen, Geert, ik zou wel willen dat althans een paar mensen van althans een paar dingen iets begrepen. Van, bijvoorbeeld, het lijden & de twijfel van onze Verlosser zelf, aan de vooravond, maar wie leest dat?

Gerard Reve aan Geert van Oorschot, Greonterp 22 november 1966
in: Gerard Reve Briefwisseling 1951-1987 Geert van Oorschot, Amsterdam 2005 p.210

maandag, september 12, 2005

La Voix de Dieu

"Alles is groots hier, maar het allerwonderbaarlijkste is de Stilte. Soms hoor je, als je je adem inhoudt, werkelijk & letterlijk niets: niet het verre blaffen van een hond, noch het kloppen van een trein, & zelfs geen vogel of allergeringst insekt. Dat is God. (In het eerste boek, geloof ik, van Koningen, staat hoe de profeet Eliah in de woestijn verbleef, & een aardbeving & een storm doormaakte, maar in geen van beide God vond. Daarna was er ‘een stilte, als het ruisen van een koele bries’. En de profeet ‘verborg zijn aangezicht in zijn mantel’.) Noem je huis daarom La Voix de Dieu."



Gerard Reve aan Geert en Hillie van Oorschot, Vesc 12 en 13 oktober 1968

maandag, juni 20, 2005

Het ene offer na het andere

Lieve Zeejongen,

Gisterennamiddag ben ik maar eens even op de koer in de zon gaan liggen.
Heb ik niet mijn hele leven gewerkt voor mijn volk, en het ene offer na het andere gebracht?

Gerard Reve Brieven aan Matroos Vosche 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.230

vrijdag, december 31, 2004

De Avonden 10
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren'


'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze kunnen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd.
'Zie hen,' fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten , is leegte. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.'
Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.195

donderdag, december 30, 2004

De Avonden 9
'De avond is gekomen'


'Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van het bed zitten. 'Je bent mijn lief, goed konijn,' zei hij hardop, 'zo is het. Trek je er niets van aan.' Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. 'Bah,' zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer tevoorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. 'Het is hier koud,' zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan.
"De avond is gekomen,' mompelde hij.

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.139

woensdag, december 29, 2004

De Avonden 8
'De stroom heeft mij nog niet gegrepen'


'Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging van de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. 'De stroom heeft mij nog niet gegrepen,' dacht hij. 'ik moet het proberen.' Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde erboven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.
Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.135

dinsdag, december 28, 2004

De Avonden 7
Een mens is een gevoelig wezen.'

"Toen ik klein was,' zei Frits, 'kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.' Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.
'Luister,' zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. 'Ben ik te ernstig?' 'Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,' antwoordde Viktor. 'Geloof je, dat wetenschap betekenis heeft?' vroeg Frits. Viktor zweeg.
De pianiste begon een andere melodie. 'Die ken ik,' zei Frits, dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.' Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten in de maat op zijn knieën. 'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.111

maandag, december 27, 2004

De Avonden 6
Duisternis en regen


'Waarom hadden die duisternis en die regen een verblijdende betekenis?' dacht hij. 'Daar moet ik achter zien te komen'. 'In de vierde klas, bij het begin van de vakantie,' zei hij tegen zichzelf, 'we gingen naar huis en ik had een leeg krijtenkistje gekregen. Ik stond in de gang, te wachten op het eind van de regen, want ik had geen jas bij me. En elke keer snoof ik in het kistje. Het was een lucht van hout, nieuw hout, van hars en krijt. Tot zover is het duidelijk, dat zijn de feiten. Maar de samenhang?'
Ik weet het, 'dacht hij plotseling, 'het is eenvoudig. De laatste uren van de schooltijd moesten somber zijn, om de overgang naar de vrije dagen des te scherper te laten uitkomen.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.85

zondag, december 26, 2004

De Avonden 5
'De kleine zenuwlijder'


''Wat lees je?' vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. 'Dat moet je beslist lezen,' antwoordde Viktor, daar zul je beslist veel plezier aan hebben.
'De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,' zei Frits.
'Je mag het wel lenen,' zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.81

zaterdag, december 25, 2004

De Avonden 4
'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden,
dat zou schitterend zijn.'




'Hij liep naar de keuken en stond op het punt zijn tanden te gaan poetsen, toen hij uit de slaapkaamer stemmen hoorde. Hij trad aan de deur op de gang. Zijn moeder sprak met een snelle, huilende opeenvolging van woorden. Wanneer ze uitgesproken was, hoorde Frits telkens het gebrom van zijn vaders stem. Dan was het weer stil, maar even daarna ging het voort. Opeens leek het hem, of zijn moeder rechtop in bed was gaan zitten en het huilen inhield, want hij verstond duidelijk haar stem, die luider klonk dan tevoren. 'Jij hebt nooit,' zei ze, 'nooit in je leven heb jij aan iemand anders gedacht dan aan jezelf en nooit heb je eens nagedacht of-' Frits ging weer snel de keuken binnen. 'Ik hoor niets,' zei hij, de ogen sluitend, 'ik hoor niets. Niets hoor ik.' Hij sloot de deur en poetste zijn tanden. Als de stemmen luider werden, neuriede hij in zichzelf. 'Wom wom, wom!' zong hij dan, met zware bromtrillingen in het hoofd.
...
'Hoort de kerstboodschap,' zei hij hardop, 'de heiland werd geboren. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.' Toen hij in bed kroop en het dek over zich heen trok, dacht hij: 'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden, dat zou schitterend zijn.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.63

vrijdag, december 24, 2004

De Avonden 3
Maar op den duur word je toch kaal...daar is geen ontkomen aan.'


'Ik vraag me vaak af,' zei Frits, 'waardoor kaalhoofdigheid wordt veroorzaakt. Het treedt alleen op bij mannen. En de haargroei op andere plekken van het lichaam gaat gewoon door.'
'De wortels op het hoofd sterven af,' zei Jaap. 'Wat een wijsheid,' zei Frits, 'dat weet ik ook. Dat is zoiets als: er komt geen regen als het droog blijft. Ik heb wel eens gedacht, dat het komt, doordat de schedel groter wordt en de huid er erg strak op gespannen zit. Daardoor wordt de bloedtoevoer afgeknepen. Zou dat kunnen?' Jaap zweeg.
'Het gaat sneller hè?' ging Frits voort. 'Het is bij jou niet te stuiten, wel?''Laat ik je zeggen,' zei Jaap, met de rechterhand over zijn hoofd strijkend, 'dat het uitvallen al een maand of twee stilstaat. Je hebt gevallen, dat het erg dun geworden is, maar dan niet meer dunner wordt: zo'n geval ben ik,'
'Maar op den duur word je toch kaal, net als alle anderen,' zei Frits, daar is toch geen ontkomen aan.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.47,49

donderdag, december 23, 2004

De Avonden 2
'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt'


'De muziek eindigde. Hij stond op, liep tijdens het applaus de zaal uit, schoot zijn jas aan, holde de trap af en stond buiten. Hij spuugde op de grond en liep in een flinke pas naar huis.
In de woning zag hij nergens licht branden. Hij bekeek de gevel. 'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt,' zei hij zacht. Hij ging langzaam de trap op en trad de gang binnen. Alles was donker. 'Ze zijn thuis,' dacht hij, stak het licht op en zag de jassen van zijn ouders aan de kapstok hangen. Hij poetste zijn tanden en ging in de slaapkamer op het bed zitten. Daarna schoof hij het gordijn voor de onderste planken van zijn boekenkast weg en bekeek een lange rij boeken en blauwe, groene, oranje en grijze schriften. Hij bleef er lange tijd op staren.
'Ik moet die rommel wegdoen,' zei hij zacht. 'Het huis uit, helemaal weg. Geen restje meer. 'Wie is zo gek, wie is zo krankzinnig om naar zoiets heen te gaan?' dacht hij. 'Ik,' zei hij hardop. 'Ik, Frits van Egters.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.35,36

woensdag, december 22, 2004

De Avonden 1
De held van deze geschiedenis




"Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevende horloge, dat aan een spijker hing. 'Kwart voor zes,' mompelde hij, 'het is nog nacht.' Hij wreef zich in het gezicht. 'Wat een ellendige droom,' dacht hij. 'Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. 'Het wordt dit weekend goed weer,' zei iemand. Op het zelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond..........."

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.5

vrijdag, december 17, 2004

‘Niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’



‘In mijn mijmeringen werd het beeld van zijn verschijning merkwaardigerwijze duidelijker dan het gedurende de verwarrende ogenblikken geweest was, toen hij nog vóór mij stond. Bij de herinnering van zijn verlegen glimlach, het korte groetende gebaar van zijn hand en de bewegingen van zijn lichaam terwijl hij aan de bromfiets bezig was geweest, zag ik hem in mijn verbeelding vóór mij, terwijl hij zich in een oud vermolmd houten washok met een goedkoop, groot vierkant stuk zeep stond te wassen. Hij was arm, en er was weinig vreugde in zijn leven. Samen met zijn hond, op zijn bromfiets, bood hij uiterlijk een tafereel van een vertrouwelijk, vertederend geluk, maar dat was slechts schijn. Hij droeg een verdriet bij zich, dat hem eenzaam maakte en waarover hij met niemand kon praten. Had ik de moed gehad hem aan te spreken, dan was hij misschien, niet onmiddellijk, maar nadat ik hem op zijn gemak had gesteld, moeizaam en telkens bevreesd ophoudend, mij zijn verhaal beginnen te vertellen, want hij was even schuw als verlangend bij iemand hulp en bescherming te vinden.
Maar wat was dat verdriet? Ik wist het niet, maar het bewoog hem, de eenzaamheid te zoeken, om alleen te zijn en erover na te denken, en zachtjes zijn klacht uit te spreken tegen zijn hond, die trouw naar zijn geliefde jonge baasje luisterde, niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 34, 35

woensdag, december 15, 2004

Avondrood


Eens was ik jong en schoon.

Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen

medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.

Nu gaat er niets meer omhoog:

het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.

Ach, waar zijt gij gebleven

zoete, bittere, onstuimige jeugd?

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdsam/Brussel MCMLXXVIII p. 41

dinsdag, december 14, 2004

14 december 2004: Gerard Reve 81 jaar


Ik hef in eenvoud & dankbaarheid het glas
op de eenentachtigste verjaardag van Gerard Reve:

Driewerf Hoera voor de Meester!
Van Harte Gefeliciteerd!

Eenvoudige Huisvrouw

maandag, december 13, 2004

Regen



'Ik zou, wat het verhaal van mijn leven betreft, bij het begin willen beginnen, maar waar is dat begin? "Het verliest zich in nevelen", pleegt men wel te zeggen, maar in mijn geval schijnt het zich voornamelijk door regen aan de historische waarneming te willen onttrekken. Ik herinner mij, zeker uit mijn vroege jeugd, nauwelijks iets anders dan regen, en het is mij vaak voorgekomen, dat mijn leven gekenmerkt is geworden door andere meteorologische omstandigheden dan dewelke het leven van de meeste stervelingen begeleiden. Motregen was wel het minste, maar plasregens, almaar doorgietend en doorlekkend, gehele middagen en dagen achtereen, met niets om op zolder mede te spelen dan een oude cither met nog de helft van de snaren, en met mijn eigen jongensdeel - ik weet nauwelijks van iets anders.'

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.44,45

woensdag, december 08, 2004

'Kleren zijn van onmiskenbaar belang'

'Kleren zijn van onmiskenbaar belang, dacht hij.
Vooral wanneer de jaren vorderen.'


Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.116

zondag, december 05, 2004

Een Goede Les
een fijn Sinterklaassprookje




Een Goede Les

Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433

woensdag, december 01, 2004

Op Weg naar het Einde
"Waarom dan mij niet...?"


'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"

Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9

zondag, november 28, 2004

Geen hoop



'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23

zondag, november 21, 2004

'Want in veel wijsheid is veel verdriet'

'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217

vrijdag, november 19, 2004

'De oorlog is een gruwelijk bedrijf'



'De oorlog is een gruwelijk bedrijf, dat over akkers en steden een doodskleed van onstilbare rouw legt, al verjongt hij wel een volk, dat is een feit, al wordt het soms brutaalweg geloochend.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.194

maandag, november 15, 2004

Tragisch

'Echt van het bestaan genoten heb ik nooit, noch mij in het leven echt thuisgevoeld. Ik vond voor die toestand van mij een woord dat het altijd en overal doet, en dat U al eerder bent tegengekomen: tragisch. Want tragisch is altijd goed. En een tragische roman of een tragisch verhaal of een tragische brief schrijven dat is veel gemakkelijker dan iets schrijven dat grappig is. De mensen lezen trouwens liever ellende dan al dat gedans en gespring.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.180

donderdag, november 11, 2004

'Zijn tent was onder de mensen'

‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen, dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.56

woensdag, november 10, 2004

De Meedogenloze Jongen. Wie is hij?



'De Meedogenloze Jongen komt al voor in 1966, in een verhaal dat Brief In De Nacht Geschreven heet, en terecht is opgenomen in mijn avonturenroman Nader Tot U, die vele lezers heeft wakker geschud. Ook toen verscheen hij mij, en eveneens in een tent, zoals velen zich herinneren.
Wie is hij? In het werk van tijdgenoten komt hij niet voor, noch in andere geïnspireerde geschriften. Hij is wreed, en wil jongens martelen maar tegelijkertijd erg lief voor ze zijn en ze van alles ten geschenke geven, dus hij wordt overal verjaagd. Is hij de verbreider van het revisme? Stellig belichaamt hij iets dat komende is in de wereld. Zoude hij mijn graf willen bewaken? Ik durf zoiets niet te vragen, maar ik zoude het wel op prijs stellen. (Ik schrijf voor mensen en ook voor vele dieren die zelf niet lezen. Dus het moet begrijpelijk zijn wat ik schrijf, als het maar mooi is en troost schenkt aan allen die deze van node hebben.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.158

dinsdag, november 09, 2004

Dood en Leven

'De dood die heb je al, bedoel ik, maar het leven is wat je er zelf van weet te maken.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.150

maandag, november 08, 2004

’Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook’

‘Ik wil niet dat U het zich allemaal aantrekt; Uw Schuld is het zeker niet. En U behoeft niet katholiek te worden. Ja, als U echt niet meer te houden bent, dan bemoei ik me er niet meer mede. Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht; voor de gehele schepping, voor alles wat adem heeft; en voor alle doden, die wachten op de Verrijzenis en de Verlossing van alle Vlees. Amen. (Stilte. Zwijgend knikken. Hier en daar wist men ogen af met zakdoek.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.141

zondag, november 07, 2004

’Een eeuwige pelgrim naar een immer wenkende horizon’



‘Maar de dood sloeg eigenlijk overal toe waar het hem zinde, schijnbaar zonder systeem, bij jong en oud. In dit recente geval bij jong, als men Jean Luc nog echt jong kon noemen: hij zoude over drie maanden 28 jaar zijn geworden, bijna dus reeds een vieze oude man van boven de dertig.
Bij deze gedachte nam ik opnieuw voor de spiegel mijn eigen gestalte in ogenschouw, en die viel mij mede. Mijn verschijning had iets tijdloos: ik had geen leeftijd omdat ik een eeuwige pelgrim was naar een immer wenkende horizon. Helemaal geen lelijke gozer, en voor de liefhebbers van het soort nog steeeds een buitenkansje.’

Gerard Reve in : Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam /Antwerpen 1996 p.102, 103.

donderdag, november 04, 2004

'Dan wilde ik wel met hem medegaan.'



'Was hij, die jongeman dus, de Dood? Dan wilde ik wel met hem medegaan. Een mooie jongen, die vond je niet zo maar overal, en naarmate men ouder werd bleef het meer en meer een leven van behelpen. Daarmede bedoel ik niet dat ik in mijn toestand in staat was enig oordeel te vellen of iets te begrijpen, maar zijn verschijning stelde mij gerust. Ik denk dat ik mij gevoelde als een dier dat door ziekte of zwakte weerloos is geworden en een mens op zich af ziet komen die het goed met hem meent. Want een dier weet dat, door geheime kennis die nooit ontraadseld is.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 84

woensdag, november 03, 2004

"tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood"

'Neen, hij was meedogenloos geweest, met een bizondere wreedheid die door onverschilligheid werd gevoed. Hij was wreed geweest, jawel, en een hartbrekend monster, reken maar. Daarom had ik zoveel van hem gehouden, en treurde ik bijna tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood, terwijl hij nog een geheel leven voor zich had kunnen hebben, vol wreedheid die een blijvend verdriet gezaaid zoude hebben in ontelbare harten, vooral die van zeer jonge personen, scholieren veelal die eigenlijk nog kinderen waren.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 38

dinsdag, november 02, 2004



"en zong een lied
over een naamloos Graf van eeuwigheid"


uit: Allerzielen

Gerard Reve Gedichten Amsterdam 1987 p.54,
alwaar het gehele gedicht te lezen is.

maandag, november 01, 2004

'Het werkelijke probleem is de verlatenheid.'

'Verder ben ik niet tegen de dood, zoals veel domme mensen. Het werkelijke probleem is de verlatenheid. Alleen zijn is meestal nog te dragen, het zich verlaten weten nooit. Ik vroeg mij af hoe God Zich gevoelde, en of God ooit een mens of enig ander schepsel zoude verlaten. Maar ik liet die vragen wederom rusten, want ik had er geen verstand van.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 29

vrijdag, oktober 29, 2004

'Gebonden en gevangen'

'Ik meen dat het geloof is: het vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben. En het valt te betwijfelen, of liefde zonder objekt bestaanbaar is. 'Vrije liefde', bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis: het wezen van iedere liefde is, dat zij zich gebonden en gevangen geeft. (Zelfs Gods Liefde kan het Zich gebonden en gevangen geven in Zijn Schepping, inzonderheid door zijn Menswording, kennelijk niet ontberen.) Wie iedereen liefheeft en het gehele mensdom in zijn afrmen sluit, houdt waarschijnlijk van niemand.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p. 243

woensdag, oktober 27, 2004

'Misschien zit er in zoverre een systeem in..'

'Als de tijden goed zijn ben ik er beroerd aan toe en, als de tijden slecht zijn, gevoel ik mij goed of althans redelijk wel. Hoe dit zo komt, zoude ik niet kunnen zeggen. Een oorzakelijk verband zie ik niet, maar misschien zit er in zoverre een systeem in, dat de som der dingen steeds op dezelfde grootte moet uitkomen.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.72

dinsdag, oktober 26, 2004

Zolang er maar Gods zegen op rust

"Er is niets tegen waanzin, zolang er maar Gods zegen op rust, en er bovendien een systeem in zit. Het kan best waar zijn, dat er in mijn boeken 'geen normaal mens voorkomt', maar op dat verwijt verzoek ik de klager zulk een 'normaal mens' te gaan zoeken en, indien gevonden, aan mij te komen tonen."

Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.7

vrijdag, september 10, 2004

'Van belang is, of de mensen ze kopen.'

'Een ingenaaid boekwerk zonder enige versiering,'De Kaalhoofdigheid en Hare Bestrijding', heette na de behandeling 'Waarom Kaal Worden?' en deze tital was op het nieuwe omslag wit uitgespaard in de afbeelding van enige inboorlingen van een Zuidzee-eiland, die inderdaad formidabele haardossen rondtorsten. "Wie koopt er nu zo'n boek? Ik geloof niet dat er aan kaal worden iets te doen is", waagde ik eens, geheel onuitgenodigd te zeggen toen het mij onder ogen kwam. Mijn patroon liet mijn opmerking in haar volle onnozelheid tot zich doordringen, terwijl hij peinzend uit het raam tuurde. "Het is volstrekt van geen belang of handleidingen, borstels, massage-apparaten, groeimiddelen enige baat geven", zei hij toen zacht.
"Van belang is, of de mensen ze kopen."
Ik kon, tegenover zulk een diepe wijsheid, slechts beschaamd zwijgen.'

Gerard Reve, in Een Eigen Huis Amsterdam/Brussel MCMLXXIX p. 78,79

maandag, september 06, 2004

'hij in ons en wij in hem'

'Maar vermoedelijk was zelfs alles een illusie. God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhebben.'

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U, Amsterdam 1966 p.55

vrijdag, september 03, 2004

Niets en niemand kan hen scheiden van de Liefde Gods

'De eenzamen schrijf ik, als troost,dat God meer lijdt dan alle mensen tezamen, maar dat begrijpen ze maar zelden. Ook schrijf ik ze, dat niemand hen kan beletten een ander wezen lief te hebben -maar ook dat komt hen voor als een slag in de lucht. Dan schrijf ik ze -als ze zeuren over ouderdom en Dood - dat onze sterfelijkheid voorwaarde is van Gods eeuwigheid, en dat wij moeten sterven, opdat Hij leve.Dat vinden ze nog maller, maar als ik ze, als toegift op al die onzin nog schrijf dat niets en niemand hen kan scheiden van de liefde Gods, dat wil zeggen dat niemand, ooit, hen kan beletten God lief te hebben, dan is de maat vol, en vinden ze me een fantast en verkondiger van beuzelpraat.'

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders,
in de brief aan professor C.J.B.J. Trimbos van 11 februari 1966
Utrecht/Antwerpen 1985 p. 111

woensdag, september 01, 2004

'Het is als met de vioolkunst'



'Mijn geschiedenis is de geschiedenis van mijn leven, het is als met de vioolkunst: je denkt bij je eigen het is een lintje, maar het zijn allemaal gewoon paardeharen.'

Gerard Reve, in Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1991 p.120

zondag, augustus 29, 2004

'Wat ik begeer is zo mateloos'



'En ik ben vaak bang voor mijn fantasieën. Wat ik begeer is zo mateloos, dat het nog in geen honderd mensenlevens vervuld zou kunnen worden. Het zijn de dingen die God Zelf Zich nog niet eens zou kunnen veroorloven. Ik moet het te gelegenertijd maar allemaal opschrijven en aangetekend aan Provinciale Staten sturen.´

Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam /Antwerpen 1997 p. 87,88

vrijdag, augustus 27, 2004

Een ademtocht...

'Misschien ligt ergens in de komende etappe op weg naar het einde voor mij een waarachtig bestaan, waarin ik niets meer verwacht, en elke oppervlakkige genieting en illusie zal wegwerpen, en eindelijk waardig zal kunnen leven en sterven, God erend en liefhebbend, en me bij de zinledigheid van het bestaan neerleggend, maar wetend, dat ik in het werk, als ik met al mijn wanhoop en kracht probeer te schrijven, wellicht enkele ogenblikken een schaduw zal zien, een ademtocht zal voelen, een vaag, wegstervend geluid zal horen van hem die ik hoop eens in mijn leven, al is het maar enkele tientallen seconden, te mogen zien ' van aangezicht tot aangezicht'. Ik hoop, dat ik u niet treurig heb gemaakt, want ik houd van u allemaal, op mijn eigen, eenvoudige manier.'

Gerard Reve in: Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p. 137

woensdag, augustus 25, 2004

Alles is uit Liefde ontstaan

"Alles is uit de Liefde ontstaan", begon ik Tweede Prijsdier uit te leggen. "Het is niet zo, dat de Liefde één van Gods atrributen is, maar de Liefde is God zelf. Toen er nog niets was, was reeds de Liefde. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde, onderling vervangbaar, en identiek. Als je het opschrijft, staat het meteen op papier ook."

Gerard Reve, in Nader tot U Amsterdam 1966 p.85,86

zaterdag, augustus 21, 2004

'Talent hebben is een twijfelachtig voorrecht'

'Maar talent hebben is een twijfelachtig voorrecht. De medemens trapt je dan het liefste dood. Zolang je het nog niet geklaard hebt, en nog onder ligt, vinden ze je geweldig. Maar verkoop maar eens goed, en verdien maar eens, na een half of 3/4 of 4/5 leven van armoed, een paar centen: dát zullen ze je nooit vergeven.'

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.206

vrijdag, augustus 20, 2004

Uit de lengte of uit de breedte

'Het is wel eens niet zo leuk, als je dingen ziet die niemand anders schijnt op te merken, maar het is toch een voorrecht.
Het moet uit de lengte of uit de breedte.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100

donderdag, augustus 19, 2004

'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken
is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik'.




'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik. Het heeft een geweldig effekt. Maar geen mens meer, die dat weet. Al deze gebruiken worden niet of nauwelijks meer onderhouden en voor de altaren van de Waarheid doven, overal ter wereld, de lampen, die volgens allerlei geloftes, in eeuwigheid brandend zouden moeten worden gehouden.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100

maandag, augustus 16, 2004

'Dat is het revisme'

'Mijn liefde heeft te maken met macht, verering, onderwerping, angst, zowel als een diep, koortsig verlangen jou te horen hijgen bij het stoeien met een klein liefdesdier. Misschien denk je dat je mij daardoor zoudt kunnen verliezen,maar het tegendeel is waar. Dat is het revisme, dat je toch uit mijn boeken moet kennen.'

Gerard Reve, in Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.226

zondag, augustus 15, 2004

In de stilte van de nacht

'In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk door gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, Eeuwige, en op U alleen.

Gerad Kornelis van het Reve, Nader tot U, Amsterdam 1966 p.87

vrijdag, augustus 13, 2004

Wandelen (2)

'Wandelen is -en hier ligt de sleutel tot elk waardeoordeel 'als zodanig'- Vrijwillige beweging, terwijl reizen Gedwongen, of liever gezegd Noodzakelijke Verplaatsing is - als ik hiermede één en ander nog niet afdoende duidelijk heb gemaakt, heeft het ook geen zin om nog verdere moeite tot uitleg te doen.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 99, 100

donderdag, augustus 12, 2004

Wandelen 1

'Wandelen is wel Beweging, maar niet Verplaatsing in de strikte zin des woords, ook al begeeft men zich -en dit is, ik geef het graag toe, zeker bedrieglijk- ogenschijnlijk van de ene plek naar de andere.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.99

woensdag, augustus 11, 2004

'Waar of niet'?

'Als je leeft, dan neem je risikoos, waar of niet;
maar je hoeft heus niet bang te zijn.'

Gerard Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 81

dinsdag, augustus 10, 2004

'Ieder verhaal heeft een vervolg'(2)

'Van de dag af, dat ik begon te schrijven, heeft dit besef mij steeds met ontzetting vervuld, en dikwijls verlamd: in te moeten zien, dat geen door enig mensenkind verteld of neergeschreven verhaal ooit iets anders kan zijn dan de bloedig uit de regenworm gespitte middenmoot, of de afgeknotte zuil op het duur en lelijk graf -van boven moedwillig afgebroken, van onderen zich slechts tot enkele decimeters onder het aardoppervlak voortzettend: versteende kokon, waar nooit meer iets uitkruipt.'

Gerard Reve in Verzameld werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413

maandag, augustus 09, 2004

'Ieder verhaal heeft een vervolg....' (1)

'Ieder verhaal heeft een vervolg, waarop weer, in eindeloze voortzetting, ontelbare naspelen elkaar moeten blijven opvolgen, en ook heeft het een voorgeschiedenis, waaraan een oneindige keten van voorspelen moet zijn voorafgegaan.'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6, Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413

zondag, augustus 08, 2004

'Niet anders..dan zichelf te openen voor God'

'Mij staat een religie voor ogen, waarvan de belijder niet anders zal beogen dan zichzelf te openen voor God, inplaats van God te willen bemachtigen en dienstbaar te willen maken aan de vervulling van infantiele begeerten; een geloof, dat misschien eens zal mogen heersen, en waarin de mens de moed zal vinden zijn Godsbegrip los te maken van elke hoop en elke verwachting van welk heil dan ook; een geloof dat de noodzaak van de Dood zal willen inzien, en begrippen als verlossing en Eeuwig Leven niet zal interpreteren als een zich na de Dood voortzettend, altijddurend heden.'

Gerard Reve in Verzameld Werk, deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 380
uit: 'Bij mijn intrede in de Rooms Katholieke Kerk' in Tirade, juli-augustus 1966

zondag, augustus 01, 2004

'Over een paar uur vertrekt het schip'

'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede......
In ieder geval heb ik mij nog nooit in mijn leven met enig ander wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van de ander.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde, Amsterdam 1966 p.134

zondag, juli 18, 2004

"Het koor zingt en de muziek ruist als een zee"

'De Waarheid is dubbelzinnig, dat begin ik nu zeer goed in te zien. We gaan naar de Kerk, en vragen de Grote Godin: "Wanneer?" En Zij glimlacht schier onmerkbaar met Haar zeer schone gelaat en Zij antwoordt: "Eens..." En wij weten niet of dat woord betrekking heeft op het sprookje uit het verleden of het luchtspiegelbeeld in de glazen piskijkersbol van de toekomst. Was het reeds, of zal het zijn? De kaarsen branden, de wierook stijgt op, het koor zingt en de muziek ruist als een zee, en wij weten slechts, dat het antwoord, en de muziek, en het koor, schoon zijn. Mooi is het, vind je niet, het volle leven, wat jij kunstbroeder? '

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 125

zaterdag, juli 17, 2004

Waar het om gaat
 
'Weet je wat ik dacht -al dat principiële gelul over gevoelens, dat leidt tot niets. Waar het om gaat, tenminste op dit ogenblik, dat zijn praktiese dingen, ik bedoel die instelling, waarbij iedereen een concreet, gemeenschappelijk doel  voor ogen houdt, en dat doel is, volgens mij, een tot op zekere hoogte draaglijk, en menswaardig bestaan.
 
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p.132

woensdag, juli 14, 2004

'Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.'



“Wat is alles toch wonderlijk! Als je bijvoorbeeld nagaat, dat ijs precies bij 0 graden Celsius overgaat in water, en dat datzelfde water weer bij precies 100 graden kookt, geen graad meer of minder! Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.”

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.42

dinsdag, juli 13, 2004

De verzoening met het leven

'Je bent vóór en na Lourdes niet meer dezelfde mens. Het is de verzoening met het leven, met de Aarde, met het lichaam, met de sterflijkheid. Graf en schoot is het, die Grot, en je kunt de mensgrote kaarsen zien als Roeden of als kaarsen in een altijddurende sterfkamer, net naar wat je wilt: het kan vermoedelijk beide tegelijk, want alles wordt één in Lourdes.'

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.174

maandag, juli 12, 2004

'..alleen geleefd.. uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken..'

'Het is heel zonderling, maar ik heb een zekere distantie gekregen van veel dingen, ik bedoel ik kan een aantal zaken niet meer belangrijk vinden, en wil alleen maar schrijven & dichten, aan de zee, in vrede, over dingen van vroeger, maar vooral over God, wat een schier onuitputtelijk onderwerp is. "Dit is nu al 's jongelings vierde gedicht over God, en steeds heeft hij nieuwe denkbeelden over dat onderwerp." Ik wil nog eens een ingrijpend gedicht schrijven als een getuigenis dat ik van alles gedaan heb, tijdvermorsing, stompzinnig genaai, ontucht op middagen, slechte daden jegens mensen, misleiding, bedrog en ontrouw, maar dat ik hem gezocht heb, anders niets en niemand, nooit, dat ik alleen geleefd heb uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken en met hem mee te gaan, dat alles dwaasheid is en ijdelheid en stof en kaf en dat ik alleen maar naar hem verlang, hongerende en dorstende naar zijn Voltooiing. Nu ja.'

Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p. 142

zondag, juli 11, 2004

'Ja, dat leven dus'

'Ja, dat leven dus: men behoort het leven monter en met een lied op de lippen tegemoet te treden, maar ik heb altijd de indruk gehad dat het leven mij achtervolgde, achternazat als het ware, en mij steeds sneller voor zich uit wilde voortjagen: "Opschieten jij! Hoe eerder het afgelopen is hoe beter."

Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.670

zaterdag, juli 10, 2004

Het leven




'Het leven, dat is een soort lied, volgens mij.'


Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.126

vrijdag, juli 09, 2004

Zij



'Wat zou het bestaan zijn zo Zij er niet was, kunstbroeder, de Troosteres, de Verloste, de Verheerlijkte en Gekroonde?....
Ik verlaat me maar meer en meer op Haar, dan zit het altijd goed. Zij is mij om een of andere duistere reden uitzonderlijk goed gezind, vermoedelijk omdat zij niet geheel goed bij het hoofd is. Maar waarom, vroeg ik me dikwijls af, wordt nu juist Zij het meest van alles en iedereen in de Kerk vereerd? "Omdat Zij alleeen maar helpt en troost", zegt Jakhals. "Zij oordeelt niet. Zij is geen rechter."
Dat zal het zijn.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.208

zondag, juli 04, 2004

Stad en Land (2)



'Stadsmensen zijn mensen die door een stekker gevoed worden; trek je de stekker uit het stopkontakt, dan sterven ze. Een wereld van stilte, zonder electriciteit, kunnen ze zich niet eens voorstellen. Ze weten niet, welk kwartier van de maan is. Ze geloven niet in God, omdat er nooit stilte is, waar ze zijn, en omdat de krant en de Verrekijk alles weten, of anders de encyclopaedie wel.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.269

vrijdag, juli 02, 2004

Stad en Land(1)

'De wezenlijke tegenstelling is niet die tussen ontwikkeling en ongeletterdheid; niet die tussen links en rechts; niet die tussen kunst en maatschappij; niet die tussen jeugd en ouderdom; niet die tussen schrijvers en hen die niet schrijven. De wezenlijke tegenstelling is die tussen Stad en Land. Ik ben geen stadmens, en ben het nooit geweest. De stadsmens is de vijand van de ware inspiraatsie, en van de echte creativiteit.
De stad is een schijnbare orde, en in werkelijkheid een chaos.'

Gerad Reve, Brieven aan Simon C. Utrecht MCMLXXXII p.269

zondag, juni 27, 2004

Primitief

'Het zijn angstwekkende tijden, gekenmerkt door een tot een karikatuur uitgegroeid bijgeloof: de Dood zal binnen afzienbare tijd ongedaan gemaakt worden door de mediese wetenschap; het heelal is 'gewoon uit een ammoniawolk ontstaan' (en dat gepresenteerd als een verklaring voor het zijn van het heelal!), kortom eenn pseudo-rationeel denken, dat in werkelijkheid even primitief is als het geloof van een kind in de ooievaar. Voorlopig vind ik een Schepping uit het niets, door Gods Wil, een heel wat aanvaardbaarder visie, al kan men zich daarbij niets feitelijks voorstellen. (Vandaar dat de Kerk spreekt van een mysterie.) Enfin, niet tobben.

Gerard Reve in Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p. 229, 230

zondag, juni 13, 2004

'’Eeuwige onderwerping in liefde

'Het Cliché is een Godsgeschenk. Als de lezer moede begint te raken van het al te verfijnd uit de doeken doen van liefdesleed, herinneringen en schuldbesef van de held, en van al die geuren, kleuren, adjectieven en gelukte of mislukte vergelijkingen, schrijft U dan eens gewoon neder: Zoude hij dit aanbiddelijke wezen, deze duizelingwekkende blonde zeeprins ooit, al ware het slechts voor één ogenblik, mogen terugzien om dan, ja dan, in een allerlaatste kans, hem zijn eeuwige onderwerping in liefde aan te bieden?...'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453

donderdag, juni 10, 2004

'Tragiek versterkt door humor'

Ik geef U een paar voorbeelden.
'Wat vind je van de ouderdom?' vraagt men mij. 'Het leven krijgt diepte, Mevrouw,' antwoord ik. En daar laat ik op volgen: 'Het is een afgrond, wil ik maar zeggen.' Of ik antwoord monter: 'Mijnheer, de ouderdom is de kroon op het leven,' om daar na enkele seconden pauze op te laten volgen: 'zij het een doornenkroon.' Of, bij verlies, voegt men mij toe: 'Het leven gaat door, meneer Reve!' 'Zo is het,' beaam ik volmondig, er vlak daarna aan toevoegend: 'Tenminste, als het niet ophoudt.'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453

maandag, juni 07, 2004

De wind (2)

'We geven onze klacht mede aan de wind, wij worden gejaagd door de wind, wij verstuiven de as op de wind, de wind voert het voorjaar aan, de wind zingt van dit en van dat, een oud lied of een nieuw geluid, ziet U maar wat U er mede doet.'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462

zondag, juni 06, 2004

De wind (1)

'Ben ik juist ingelicht, dan is er in het Hebreeuws één woord, dat zowel wind, adem, geest als rook kan betekenen.
Dat zegt reeds iets.
De wind doet het zelfgemaakte molentje van het kind draaien en snorren dat het een lieve lust is, maar diezelfde wind zendt ook het schip vol lieve zeejongens, ver van huis en roepende om hunne moeder, de ijzige, eeuwige diepte in. De wind is het Leven en de Dood: twee halen, één betalen.
"Hoor je die wind? Wel een gezellig geluid, vind je niet?'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462

zaterdag, juni 05, 2004

'Alle liefde is medelijden'

'Als de uitspraak van Arthur Schopenhauer: 'Alle liefde is medelijden', waar is, dan is die uitspraak misschien wel omkeerbaar: 'Alle medelijden is liefde.'
Want dat medelijden gevoelen wij: medelijden met het onschuldige, immers zondenvrij geboren dier; medelijden met de schuldeloos in de aarde gekluisterde boom; medelijden met de in de boeien der zonde geketende mens; medelijden met God.'

Gerard Reve, Verzameld werk deel 4 in Zelf schrijver worden Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 450

dinsdag, april 27, 2004

'Maar dit terzijde'

'Ons leven is een sterven, aan de kant van de weg.
Maar dit terzijde.'


Gerard Reve in Brieven aan Simon Carmiggelt Utrecht/Antwerpen 1988 p.214

zondag, april 25, 2004

Eric verklaart de vogeltekenen (2)
Zie maar eens hoe de zon schijnt




'Als we ons in een kelderachtig vertrek bevonden, dacht hij, donker, armoedig en vochtig, en het was nacht, en de regen raasde en de wind loeide, en we zaten te wachten op een verschrikkelijke boodschap, te wachten tot ze iemand die verdronken was, druipend kwamen binnendragen, dan zouden we dicht bijeen zitten en niemand zou hard durven spreken. Maar het is helemaal geen nacht, en er is helemaal geen regen of storm. Zie maar eens hoe de zon schijnt.
Hij keek naar buiten. De zon stond nog hoog genoeg om, over het huis heen, het achterste gedeelte van de tuin te beschijnen. Een merel, of althans een vogel van gelijke grootte, huppelde daar over wat eens een grindpad was geweest, pikte driftig rond in de door regens verharde bodem en wandelde onder een groen geverfd, maar vreselijk verroest tafeltje door.
Het is wel een weemoedig gezicht, zulk een ruïneachtige tuin, dacht hij. Maar van storm of duisternis is geen sprake. Er is ook niemand verdronken, voor zover dat...'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.123, 124
 
Tweets van @Revetwalender