Het ene offer na het andere
Lieve Zeejongen,
Gisterennamiddag ben ik maar eens even op de koer in de zon gaan liggen.
Heb ik niet mijn hele leven gewerkt voor mijn volk, en het ene offer na het andere gebracht?
Gerard Reve Brieven aan Matroos Vosche 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.230
maandag, juni 20, 2005
vrijdag, december 31, 2004
De Avonden 10
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren'
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze kunnen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd.
'Zie hen,' fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten , is leegte. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.'
Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.195
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren'
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze kunnen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd.
'Zie hen,' fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten , is leegte. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.'
Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.195
donderdag, december 30, 2004
De Avonden 9
'De avond is gekomen'
'Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van het bed zitten. 'Je bent mijn lief, goed konijn,' zei hij hardop, 'zo is het. Trek je er niets van aan.' Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. 'Bah,' zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer tevoorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. 'Het is hier koud,' zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan.
"De avond is gekomen,' mompelde hij.
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.139
'De avond is gekomen'
'Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van het bed zitten. 'Je bent mijn lief, goed konijn,' zei hij hardop, 'zo is het. Trek je er niets van aan.' Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. 'Bah,' zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer tevoorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. 'Het is hier koud,' zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan.
"De avond is gekomen,' mompelde hij.
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.139
woensdag, december 29, 2004
De Avonden 8
'De stroom heeft mij nog niet gegrepen'
'Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging van de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. 'De stroom heeft mij nog niet gegrepen,' dacht hij. 'ik moet het proberen.' Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde erboven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.
Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.135
'De stroom heeft mij nog niet gegrepen'
'Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging van de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. 'De stroom heeft mij nog niet gegrepen,' dacht hij. 'ik moet het proberen.' Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde erboven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.
Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.135
dinsdag, december 28, 2004
De Avonden 7
Een mens is een gevoelig wezen.'
"Toen ik klein was,' zei Frits, 'kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.' Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.
'Luister,' zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. 'Ben ik te ernstig?' 'Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,' antwoordde Viktor. 'Geloof je, dat wetenschap betekenis heeft?' vroeg Frits. Viktor zweeg.
De pianiste begon een andere melodie. 'Die ken ik,' zei Frits, dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.' Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten in de maat op zijn knieën. 'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.111
Een mens is een gevoelig wezen.'
"Toen ik klein was,' zei Frits, 'kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.' Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.
'Luister,' zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. 'Ben ik te ernstig?' 'Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,' antwoordde Viktor. 'Geloof je, dat wetenschap betekenis heeft?' vroeg Frits. Viktor zweeg.
De pianiste begon een andere melodie. 'Die ken ik,' zei Frits, dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.' Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten in de maat op zijn knieën. 'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.111
maandag, december 27, 2004
De Avonden 6
Duisternis en regen
'Waarom hadden die duisternis en die regen een verblijdende betekenis?' dacht hij. 'Daar moet ik achter zien te komen'. 'In de vierde klas, bij het begin van de vakantie,' zei hij tegen zichzelf, 'we gingen naar huis en ik had een leeg krijtenkistje gekregen. Ik stond in de gang, te wachten op het eind van de regen, want ik had geen jas bij me. En elke keer snoof ik in het kistje. Het was een lucht van hout, nieuw hout, van hars en krijt. Tot zover is het duidelijk, dat zijn de feiten. Maar de samenhang?'
Ik weet het, 'dacht hij plotseling, 'het is eenvoudig. De laatste uren van de schooltijd moesten somber zijn, om de overgang naar de vrije dagen des te scherper te laten uitkomen.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.85
Duisternis en regen
'Waarom hadden die duisternis en die regen een verblijdende betekenis?' dacht hij. 'Daar moet ik achter zien te komen'. 'In de vierde klas, bij het begin van de vakantie,' zei hij tegen zichzelf, 'we gingen naar huis en ik had een leeg krijtenkistje gekregen. Ik stond in de gang, te wachten op het eind van de regen, want ik had geen jas bij me. En elke keer snoof ik in het kistje. Het was een lucht van hout, nieuw hout, van hars en krijt. Tot zover is het duidelijk, dat zijn de feiten. Maar de samenhang?'
Ik weet het, 'dacht hij plotseling, 'het is eenvoudig. De laatste uren van de schooltijd moesten somber zijn, om de overgang naar de vrije dagen des te scherper te laten uitkomen.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.85
zondag, december 26, 2004
De Avonden 5
'De kleine zenuwlijder'
''Wat lees je?' vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. 'Dat moet je beslist lezen,' antwoordde Viktor, daar zul je beslist veel plezier aan hebben.
'De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,' zei Frits.
'Je mag het wel lenen,' zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.81
'De kleine zenuwlijder'
''Wat lees je?' vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. 'Dat moet je beslist lezen,' antwoordde Viktor, daar zul je beslist veel plezier aan hebben.
'De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,' zei Frits.
'Je mag het wel lenen,' zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.81
zaterdag, december 25, 2004
De Avonden 4
'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden,
dat zou schitterend zijn.'
'Hij liep naar de keuken en stond op het punt zijn tanden te gaan poetsen, toen hij uit de slaapkaamer stemmen hoorde. Hij trad aan de deur op de gang. Zijn moeder sprak met een snelle, huilende opeenvolging van woorden. Wanneer ze uitgesproken was, hoorde Frits telkens het gebrom van zijn vaders stem. Dan was het weer stil, maar even daarna ging het voort. Opeens leek het hem, of zijn moeder rechtop in bed was gaan zitten en het huilen inhield, want hij verstond duidelijk haar stem, die luider klonk dan tevoren. 'Jij hebt nooit,' zei ze, 'nooit in je leven heb jij aan iemand anders gedacht dan aan jezelf en nooit heb je eens nagedacht of-' Frits ging weer snel de keuken binnen. 'Ik hoor niets,' zei hij, de ogen sluitend, 'ik hoor niets. Niets hoor ik.' Hij sloot de deur en poetste zijn tanden. Als de stemmen luider werden, neuriede hij in zichzelf. 'Wom wom, wom!' zong hij dan, met zware bromtrillingen in het hoofd.
...
'Hoort de kerstboodschap,' zei hij hardop, 'de heiland werd geboren. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.' Toen hij in bed kroop en het dek over zich heen trok, dacht hij: 'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden, dat zou schitterend zijn.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.63
'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden,
dat zou schitterend zijn.'
'Hij liep naar de keuken en stond op het punt zijn tanden te gaan poetsen, toen hij uit de slaapkaamer stemmen hoorde. Hij trad aan de deur op de gang. Zijn moeder sprak met een snelle, huilende opeenvolging van woorden. Wanneer ze uitgesproken was, hoorde Frits telkens het gebrom van zijn vaders stem. Dan was het weer stil, maar even daarna ging het voort. Opeens leek het hem, of zijn moeder rechtop in bed was gaan zitten en het huilen inhield, want hij verstond duidelijk haar stem, die luider klonk dan tevoren. 'Jij hebt nooit,' zei ze, 'nooit in je leven heb jij aan iemand anders gedacht dan aan jezelf en nooit heb je eens nagedacht of-' Frits ging weer snel de keuken binnen. 'Ik hoor niets,' zei hij, de ogen sluitend, 'ik hoor niets. Niets hoor ik.' Hij sloot de deur en poetste zijn tanden. Als de stemmen luider werden, neuriede hij in zichzelf. 'Wom wom, wom!' zong hij dan, met zware bromtrillingen in het hoofd.
...
'Hoort de kerstboodschap,' zei hij hardop, 'de heiland werd geboren. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.' Toen hij in bed kroop en het dek over zich heen trok, dacht hij: 'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden, dat zou schitterend zijn.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.63
vrijdag, december 24, 2004
De Avonden 3
Maar op den duur word je toch kaal...daar is geen ontkomen aan.'
'Ik vraag me vaak af,' zei Frits, 'waardoor kaalhoofdigheid wordt veroorzaakt. Het treedt alleen op bij mannen. En de haargroei op andere plekken van het lichaam gaat gewoon door.'
'De wortels op het hoofd sterven af,' zei Jaap. 'Wat een wijsheid,' zei Frits, 'dat weet ik ook. Dat is zoiets als: er komt geen regen als het droog blijft. Ik heb wel eens gedacht, dat het komt, doordat de schedel groter wordt en de huid er erg strak op gespannen zit. Daardoor wordt de bloedtoevoer afgeknepen. Zou dat kunnen?' Jaap zweeg.
'Het gaat sneller hè?' ging Frits voort. 'Het is bij jou niet te stuiten, wel?''Laat ik je zeggen,' zei Jaap, met de rechterhand over zijn hoofd strijkend, 'dat het uitvallen al een maand of twee stilstaat. Je hebt gevallen, dat het erg dun geworden is, maar dan niet meer dunner wordt: zo'n geval ben ik,'
'Maar op den duur word je toch kaal, net als alle anderen,' zei Frits, daar is toch geen ontkomen aan.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.47,49
Maar op den duur word je toch kaal...daar is geen ontkomen aan.'
'Ik vraag me vaak af,' zei Frits, 'waardoor kaalhoofdigheid wordt veroorzaakt. Het treedt alleen op bij mannen. En de haargroei op andere plekken van het lichaam gaat gewoon door.'
'De wortels op het hoofd sterven af,' zei Jaap. 'Wat een wijsheid,' zei Frits, 'dat weet ik ook. Dat is zoiets als: er komt geen regen als het droog blijft. Ik heb wel eens gedacht, dat het komt, doordat de schedel groter wordt en de huid er erg strak op gespannen zit. Daardoor wordt de bloedtoevoer afgeknepen. Zou dat kunnen?' Jaap zweeg.
'Het gaat sneller hè?' ging Frits voort. 'Het is bij jou niet te stuiten, wel?''Laat ik je zeggen,' zei Jaap, met de rechterhand over zijn hoofd strijkend, 'dat het uitvallen al een maand of twee stilstaat. Je hebt gevallen, dat het erg dun geworden is, maar dan niet meer dunner wordt: zo'n geval ben ik,'
'Maar op den duur word je toch kaal, net als alle anderen,' zei Frits, daar is toch geen ontkomen aan.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.47,49
donderdag, december 23, 2004
De Avonden 2
'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt'
'De muziek eindigde. Hij stond op, liep tijdens het applaus de zaal uit, schoot zijn jas aan, holde de trap af en stond buiten. Hij spuugde op de grond en liep in een flinke pas naar huis.
In de woning zag hij nergens licht branden. Hij bekeek de gevel. 'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt,' zei hij zacht. Hij ging langzaam de trap op en trad de gang binnen. Alles was donker. 'Ze zijn thuis,' dacht hij, stak het licht op en zag de jassen van zijn ouders aan de kapstok hangen. Hij poetste zijn tanden en ging in de slaapkamer op het bed zitten. Daarna schoof hij het gordijn voor de onderste planken van zijn boekenkast weg en bekeek een lange rij boeken en blauwe, groene, oranje en grijze schriften. Hij bleef er lange tijd op staren.
'Ik moet die rommel wegdoen,' zei hij zacht. 'Het huis uit, helemaal weg. Geen restje meer. 'Wie is zo gek, wie is zo krankzinnig om naar zoiets heen te gaan?' dacht hij. 'Ik,' zei hij hardop. 'Ik, Frits van Egters.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.35,36
'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt'
'De muziek eindigde. Hij stond op, liep tijdens het applaus de zaal uit, schoot zijn jas aan, holde de trap af en stond buiten. Hij spuugde op de grond en liep in een flinke pas naar huis.
In de woning zag hij nergens licht branden. Hij bekeek de gevel. 'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt,' zei hij zacht. Hij ging langzaam de trap op en trad de gang binnen. Alles was donker. 'Ze zijn thuis,' dacht hij, stak het licht op en zag de jassen van zijn ouders aan de kapstok hangen. Hij poetste zijn tanden en ging in de slaapkamer op het bed zitten. Daarna schoof hij het gordijn voor de onderste planken van zijn boekenkast weg en bekeek een lange rij boeken en blauwe, groene, oranje en grijze schriften. Hij bleef er lange tijd op staren.
'Ik moet die rommel wegdoen,' zei hij zacht. 'Het huis uit, helemaal weg. Geen restje meer. 'Wie is zo gek, wie is zo krankzinnig om naar zoiets heen te gaan?' dacht hij. 'Ik,' zei hij hardop. 'Ik, Frits van Egters.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.35,36
woensdag, december 22, 2004
De Avonden 1
De held van deze geschiedenis
"Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevende horloge, dat aan een spijker hing. 'Kwart voor zes,' mompelde hij, 'het is nog nacht.' Hij wreef zich in het gezicht. 'Wat een ellendige droom,' dacht hij. 'Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. 'Het wordt dit weekend goed weer,' zei iemand. Op het zelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond..........."
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.5
De held van deze geschiedenis
"Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevende horloge, dat aan een spijker hing. 'Kwart voor zes,' mompelde hij, 'het is nog nacht.' Hij wreef zich in het gezicht. 'Wat een ellendige droom,' dacht hij. 'Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. 'Het wordt dit weekend goed weer,' zei iemand. Op het zelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond..........."
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.5
vrijdag, december 17, 2004
‘Niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’
‘In mijn mijmeringen werd het beeld van zijn verschijning merkwaardigerwijze duidelijker dan het gedurende de verwarrende ogenblikken geweest was, toen hij nog vóór mij stond. Bij de herinnering van zijn verlegen glimlach, het korte groetende gebaar van zijn hand en de bewegingen van zijn lichaam terwijl hij aan de bromfiets bezig was geweest, zag ik hem in mijn verbeelding vóór mij, terwijl hij zich in een oud vermolmd houten washok met een goedkoop, groot vierkant stuk zeep stond te wassen. Hij was arm, en er was weinig vreugde in zijn leven. Samen met zijn hond, op zijn bromfiets, bood hij uiterlijk een tafereel van een vertrouwelijk, vertederend geluk, maar dat was slechts schijn. Hij droeg een verdriet bij zich, dat hem eenzaam maakte en waarover hij met niemand kon praten. Had ik de moed gehad hem aan te spreken, dan was hij misschien, niet onmiddellijk, maar nadat ik hem op zijn gemak had gesteld, moeizaam en telkens bevreesd ophoudend, mij zijn verhaal beginnen te vertellen, want hij was even schuw als verlangend bij iemand hulp en bescherming te vinden.
Maar wat was dat verdriet? Ik wist het niet, maar het bewoog hem, de eenzaamheid te zoeken, om alleen te zijn en erover na te denken, en zachtjes zijn klacht uit te spreken tegen zijn hond, die trouw naar zijn geliefde jonge baasje luisterde, niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 34, 35
‘In mijn mijmeringen werd het beeld van zijn verschijning merkwaardigerwijze duidelijker dan het gedurende de verwarrende ogenblikken geweest was, toen hij nog vóór mij stond. Bij de herinnering van zijn verlegen glimlach, het korte groetende gebaar van zijn hand en de bewegingen van zijn lichaam terwijl hij aan de bromfiets bezig was geweest, zag ik hem in mijn verbeelding vóór mij, terwijl hij zich in een oud vermolmd houten washok met een goedkoop, groot vierkant stuk zeep stond te wassen. Hij was arm, en er was weinig vreugde in zijn leven. Samen met zijn hond, op zijn bromfiets, bood hij uiterlijk een tafereel van een vertrouwelijk, vertederend geluk, maar dat was slechts schijn. Hij droeg een verdriet bij zich, dat hem eenzaam maakte en waarover hij met niemand kon praten. Had ik de moed gehad hem aan te spreken, dan was hij misschien, niet onmiddellijk, maar nadat ik hem op zijn gemak had gesteld, moeizaam en telkens bevreesd ophoudend, mij zijn verhaal beginnen te vertellen, want hij was even schuw als verlangend bij iemand hulp en bescherming te vinden.
Maar wat was dat verdriet? Ik wist het niet, maar het bewoog hem, de eenzaamheid te zoeken, om alleen te zijn en erover na te denken, en zachtjes zijn klacht uit te spreken tegen zijn hond, die trouw naar zijn geliefde jonge baasje luisterde, niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 34, 35
woensdag, december 15, 2004
Avondrood
Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat er niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdsam/Brussel MCMLXXVIII p. 41
dinsdag, december 14, 2004
maandag, december 13, 2004
Regen
'Ik zou, wat het verhaal van mijn leven betreft, bij het begin willen beginnen, maar waar is dat begin? "Het verliest zich in nevelen", pleegt men wel te zeggen, maar in mijn geval schijnt het zich voornamelijk door regen aan de historische waarneming te willen onttrekken. Ik herinner mij, zeker uit mijn vroege jeugd, nauwelijks iets anders dan regen, en het is mij vaak voorgekomen, dat mijn leven gekenmerkt is geworden door andere meteorologische omstandigheden dan dewelke het leven van de meeste stervelingen begeleiden. Motregen was wel het minste, maar plasregens, almaar doorgietend en doorlekkend, gehele middagen en dagen achtereen, met niets om op zolder mede te spelen dan een oude cither met nog de helft van de snaren, en met mijn eigen jongensdeel - ik weet nauwelijks van iets anders.'
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.44,45
'Ik zou, wat het verhaal van mijn leven betreft, bij het begin willen beginnen, maar waar is dat begin? "Het verliest zich in nevelen", pleegt men wel te zeggen, maar in mijn geval schijnt het zich voornamelijk door regen aan de historische waarneming te willen onttrekken. Ik herinner mij, zeker uit mijn vroege jeugd, nauwelijks iets anders dan regen, en het is mij vaak voorgekomen, dat mijn leven gekenmerkt is geworden door andere meteorologische omstandigheden dan dewelke het leven van de meeste stervelingen begeleiden. Motregen was wel het minste, maar plasregens, almaar doorgietend en doorlekkend, gehele middagen en dagen achtereen, met niets om op zolder mede te spelen dan een oude cither met nog de helft van de snaren, en met mijn eigen jongensdeel - ik weet nauwelijks van iets anders.'
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.44,45
woensdag, december 08, 2004
zondag, december 05, 2004
Een Goede Les
een fijn Sinterklaassprookje

Een Goede Les
Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433
een fijn Sinterklaassprookje
Een Goede Les
Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433
woensdag, december 01, 2004
Op Weg naar het Einde
"Waarom dan mij niet...?"
'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"
Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9
"Waarom dan mij niet...?"
'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"
Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9
zondag, november 28, 2004
Geen hoop
'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23
'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23
zondag, november 21, 2004
'Want in veel wijsheid is veel verdriet'
'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217
'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)
Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217
Abonneren op:
Posts (Atom)