‘Het moet zoiets als Genade zijn.’
“Er is zo eindeloos veel dat verklaard moet worden: waarom ik de enige was, die mij over de teksten van alle liedjes op school schaamde, en wel wilde schreeuwen van haat en verdriet en vernedering, maar, onmachtig, me beperkte tot een voorgewend meezingen, met geluidloze mondbewegingen. De dichter of schrijver (‘of allebei, of geen van beide’) Simon V. zegt in een interview dat hem kort geleden is afgenomen, dat ik een ‘gestoorde persoonlijkheid ben, maar ik moet dat in twijfel trekken. Het ligt anders, geloof ik. Nu ik hier op de spoordijk zit, op de zuidelijke rand ervan, dicht bij de rails en op achttien passen voorbij een rechtop in de grond gehamerd stuk spoorrail waarop een ijzeren bord met vrijwel onleesbaar opschrift misschien 31 7 vermeldt, besef ik opeens, terwijl ik naar de Geheime Schrijfsteen kijk, die ik op mijn 39ste verjaardag in Londen van het Loodgietend Prijsdier M. heb gekregen, en die helemaal met me mee is gereisd, eerst naar Lissabon, toen naar Algericas en Tanger en nu, via Amsterdam naar hier, dat het, wat Simon V. zich niet heeft gerealiseerd, waarschijnlijk allemaal komt, omdat ik een revist ben. De schrijver of dichter (‘of”ect) Simon V. is geen revist. Als je het niet bent, kan je het niet worden ook, geloof ik – het moet zoiets als Genade zijn.”
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p. 21,22
maandag, december 11, 2006
zondag, december 10, 2006
'O weemoed van een verloren jeugd..'

"Dan zal ik weten, wie de Soldaat was op wie ik, vier en dertig jaar geleden, verliefd was, en die misschien werkelijk bestaan heeft; wat de hoefsmederij betekent waarachter, in een keuken, onder het gepleisterd licht van een binnenplaatsje, een oude vrouw, dun als een stervende vogel een rode kool in tweeën snijdt; wie de jongen was, die de mondharmonika speelde en water uit de vaart dronk omdat hij dorst had en de sleutel niet had en niet bij de buren wou aanbellen, en daarna gestorven is; o, weemoed van een verloren jeugd die nooit geweest is, en die voor eeuwig stilstaat in de tijd."
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.21
"Dan zal ik weten, wie de Soldaat was op wie ik, vier en dertig jaar geleden, verliefd was, en die misschien werkelijk bestaan heeft; wat de hoefsmederij betekent waarachter, in een keuken, onder het gepleisterd licht van een binnenplaatsje, een oude vrouw, dun als een stervende vogel een rode kool in tweeën snijdt; wie de jongen was, die de mondharmonika speelde en water uit de vaart dronk omdat hij dorst had en de sleutel niet had en niet bij de buren wou aanbellen, en daarna gestorven is; o, weemoed van een verloren jeugd die nooit geweest is, en die voor eeuwig stilstaat in de tijd."
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.21
zaterdag, december 09, 2006
"De verschrikking die 'dit rampzalig leven'inhoudt."

"Huize Algra, vrijdagmiddag 17 juli 1964. Ik weet, dat ik nog veel verder, zo ver als maar enigszins mogelijk is, zou moeten terugkeren in het Verleden, en dat ik tenslotte zelfs zou moeten proberen de grens van de nog gestalte hebbende herinnnering te overschrijden, want daarachter moet, van de verschrikking die 'dit rampzalig leven' inhoudt, de verklaring te vinden zijn.' Misschien zal het me, als ik nog lang genoeg leef, en blijf volhouden, eens gelukken, zodat ik eindelijk de verregende, donkere beelden -soms nog in het per ongeluk tot stilstand gekomen apparaat door de gloeiende projeksielamp bijna geheel in druipende stroop veranderd- zal kunnen duiden."
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.21
tekst Reve monument Westerpark
"Huize Algra, vrijdagmiddag 17 juli 1964. Ik weet, dat ik nog veel verder, zo ver als maar enigszins mogelijk is, zou moeten terugkeren in het Verleden, en dat ik tenslotte zelfs zou moeten proberen de grens van de nog gestalte hebbende herinnnering te overschrijden, want daarachter moet, van de verschrikking die 'dit rampzalig leven' inhoudt, de verklaring te vinden zijn.' Misschien zal het me, als ik nog lang genoeg leef, en blijf volhouden, eens gelukken, zodat ik eindelijk de verregende, donkere beelden -soms nog in het per ongeluk tot stilstand gekomen apparaat door de gloeiende projeksielamp bijna geheel in druipende stroop veranderd- zal kunnen duiden."
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.21
tekst Reve monument Westerpark
woensdag, december 06, 2006
De sociale positie van Sinterklaas (2)

'Het begon in mijn jeugd, toen hij op een middag na schooltijd op bezoek kwam. Ik had de gewoonte de korsten van mijn brood niet op te eten en toen hij binnenkwam, propte ik alles in mijn mond. Hij bracht snoepgoed en een speelgoeddraaimolen. Later begreep ik, dat hij in dienst van een winkel stond en de door ouders of andere familieleden gekochte geschenken aan huis bezorgde. Volgens het beginsel dus: niets voor niets. Dit is waarschijnlijk de koopbare, kapitalistische Sinterklaas, waarvan hierboven sprake was.
Eeen andere vorm is die, waarbij een oom als Sinterklaas optreedt bij de kinderen; hij is vol vrees, dat zijn stem herkend zal worden. Dit is een alleszins aanvaardbare Sinterklaas. Zijn optreden is een daad van vrijwilligheid en goedhartigheid, vrij vam zucht naar geldelijk gewin. Voordat hij komt, zingen de kinderen voor een schoorsteengat en zo het een huis met centrale verwarming is, voor een betraliede luchtkoker. Onverwachts werpt moeder uit een papieren puntzak het snoepgoed met een zwaaiende beweging over de vloer uit, zelf weer achter de deur wegschietend.
Deze beide verschijningsvormen zijn belangrijke uitersten. '
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 89,90
'Het begon in mijn jeugd, toen hij op een middag na schooltijd op bezoek kwam. Ik had de gewoonte de korsten van mijn brood niet op te eten en toen hij binnenkwam, propte ik alles in mijn mond. Hij bracht snoepgoed en een speelgoeddraaimolen. Later begreep ik, dat hij in dienst van een winkel stond en de door ouders of andere familieleden gekochte geschenken aan huis bezorgde. Volgens het beginsel dus: niets voor niets. Dit is waarschijnlijk de koopbare, kapitalistische Sinterklaas, waarvan hierboven sprake was.
Eeen andere vorm is die, waarbij een oom als Sinterklaas optreedt bij de kinderen; hij is vol vrees, dat zijn stem herkend zal worden. Dit is een alleszins aanvaardbare Sinterklaas. Zijn optreden is een daad van vrijwilligheid en goedhartigheid, vrij vam zucht naar geldelijk gewin. Voordat hij komt, zingen de kinderen voor een schoorsteengat en zo het een huis met centrale verwarming is, voor een betraliede luchtkoker. Onverwachts werpt moeder uit een papieren puntzak het snoepgoed met een zwaaiende beweging over de vloer uit, zelf weer achter de deur wegschietend.
Deze beide verschijningsvormen zijn belangrijke uitersten. '
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 89,90
maandag, december 04, 2006
De sociale positie van Sinterklaas (1)

'Voor fanatieke aanhangers van het Russische regeringssysteem zou het feit, dat in de Sovjetunie geen Sinterklaas in onze zin bestaat, een aanwijzing kunnen zijn om zonder moeite vast te stellen, dat Sinterklaas een voze, onwaarachtige, reformistische, tot verzoening der tegenstellingen tussen de klassen in het leven gehouden figuur is.'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 89
'Voor fanatieke aanhangers van het Russische regeringssysteem zou het feit, dat in de Sovjetunie geen Sinterklaas in onze zin bestaat, een aanwijzing kunnen zijn om zonder moeite vast te stellen, dat Sinterklaas een voze, onwaarachtige, reformistische, tot verzoening der tegenstellingen tussen de klassen in het leven gehouden figuur is.'
Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 89
woensdag, november 29, 2006
Roem

'U bent', zegt de groenteman,
'wel zo ongeveer de beste schrijver die we hebben.'
Die man zegt niet zo maar wat. Ik bedoel:
hij zou zoiets niet zeggen als het niet waar was.
Ik zwijg, en kijk stil voor mij uit,
en denk: 'Waarheen? Waarvoor? Waarom?'
Dutch Crossing, maart 1981
Gerard Reve in Schoon Schip 1945-1984
Amsterdam MCMXXXIV p.287
'U bent', zegt de groenteman,
'wel zo ongeveer de beste schrijver die we hebben.'
Die man zegt niet zo maar wat. Ik bedoel:
hij zou zoiets niet zeggen als het niet waar was.
Ik zwijg, en kijk stil voor mij uit,
en denk: 'Waarheen? Waarvoor? Waarom?'
Dutch Crossing, maart 1981
Gerard Reve in Schoon Schip 1945-1984
Amsterdam MCMXXXIV p.287
maandag, november 20, 2006
'Het is alles groots en grenzeloos'

" Snachts is hier de hemel onuitsprekelijk schoon: de Melkweg is een wolk van koud vuur, en Venus is duidelijk een bolletje, met volume, en niet alleen maar een betraand flikkerlicht. Toen we hier kwamen was de Maan nog bijna vol, en kon men bij haar licht de tekst van een niet al te klein gedrukt boek lezen. Het is alles groots en grenzeloos, maar wat God ermee bedoeld kan hebben, dat kan ik niet begrijpen. Laten we maar niet tobben. "
Gerard Reve, in Brieven aan Bernard S. Utrecht/Antwerpen MCMLXXXI p.40
" Snachts is hier de hemel onuitsprekelijk schoon: de Melkweg is een wolk van koud vuur, en Venus is duidelijk een bolletje, met volume, en niet alleen maar een betraand flikkerlicht. Toen we hier kwamen was de Maan nog bijna vol, en kon men bij haar licht de tekst van een niet al te klein gedrukt boek lezen. Het is alles groots en grenzeloos, maar wat God ermee bedoeld kan hebben, dat kan ik niet begrijpen. Laten we maar niet tobben. "
Gerard Reve, in Brieven aan Bernard S. Utrecht/Antwerpen MCMLXXXI p.40
woensdag, november 15, 2006
Wiegelied

Jakob's Kampf am Pniel (1637)Theobaldikapelle Wernigerode
Wiegelied
Ik ging nuchter naar bed, en kon niet slapen.
Toen ik tenslotte sliep, dreunde het huis
en worstelde ik met iemand.
Niet tot de ochtend: toen ik weer wakker werd, was het
nog nacht.
Ook wist ik niets meer van een zegen.
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p. 146
"Het begin van het fragment is eenvoudig: de held van het verhaal is dronken en strompelt naar huis, terwijl hij, vol goede voornemens, zichzelf moed inspreekt: 'Ik moest vechten - met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu.' Een heel oud, bijbels beeld*, waarbij men onmiddellijk denkt aan Jacob, die een gehele nacht strijdt met iemand die in sommige vertalingen een engel, in andere een man en in weer andere een mens wordt genoemd. Er is veel duisters in deze Bijbelplaats, maar één van de geldige betekenissen moet toch zijn, dat Jacob hier met God strijdt als met een immanent, onbewust want de nachtzijde van de ziel vertolkend Wezen, dat van Meester Slaaf moet worden om ten slotte, als Broeder, Jacob te zegenen."
Gerard Kornelis van het Reve in Vier Pleidooien, "Pleitrede Voor Het Hof" Amsterdam 1972, tweede druk p. 29
*Gen.32:22-32
Jakob's Kampf am Pniel (1637)Theobaldikapelle Wernigerode
Wiegelied
Ik ging nuchter naar bed, en kon niet slapen.
Toen ik tenslotte sliep, dreunde het huis
en worstelde ik met iemand.
Niet tot de ochtend: toen ik weer wakker werd, was het
nog nacht.
Ook wist ik niets meer van een zegen.
Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p. 146
"Het begin van het fragment is eenvoudig: de held van het verhaal is dronken en strompelt naar huis, terwijl hij, vol goede voornemens, zichzelf moed inspreekt: 'Ik moest vechten - met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu.' Een heel oud, bijbels beeld*, waarbij men onmiddellijk denkt aan Jacob, die een gehele nacht strijdt met iemand die in sommige vertalingen een engel, in andere een man en in weer andere een mens wordt genoemd. Er is veel duisters in deze Bijbelplaats, maar één van de geldige betekenissen moet toch zijn, dat Jacob hier met God strijdt als met een immanent, onbewust want de nachtzijde van de ziel vertolkend Wezen, dat van Meester Slaaf moet worden om ten slotte, als Broeder, Jacob te zegenen."
Gerard Kornelis van het Reve in Vier Pleidooien, "Pleitrede Voor Het Hof" Amsterdam 1972, tweede druk p. 29
*Gen.32:22-32
woensdag, november 08, 2006
Niet voor niets geleefd
Als iemand door niets en niemand getroost kan worden... Niet door de grote Trooster, "Die met U zal zijn tot het einde der wereld", en niet door de grote Troosteres, ik bedoel de Moeder van God, als iemand er zo aan toe is...Ik uit geen kritiek op die goddelijke instanties, die nooit kunnen falen, maar het kan gebeuren. dat iemand de weg daarheen, en de toegang niet vinden kan... Maar als zo iemand dan door een boek van mij, door iets wat ik geschreven heb, getroost en gesterkt zou kunnen worden...Als dát mogelijk is, ja dan moet ik wel zeggen: "Ik heb niet voor niets geschreven. Ik heb niet voor niets geleefd."
Gerard Reve in: NRC Handelsblad 1 februari 1985
Als iemand door niets en niemand getroost kan worden... Niet door de grote Trooster, "Die met U zal zijn tot het einde der wereld", en niet door de grote Troosteres, ik bedoel de Moeder van God, als iemand er zo aan toe is...Ik uit geen kritiek op die goddelijke instanties, die nooit kunnen falen, maar het kan gebeuren. dat iemand de weg daarheen, en de toegang niet vinden kan... Maar als zo iemand dan door een boek van mij, door iets wat ik geschreven heb, getroost en gesterkt zou kunnen worden...Als dát mogelijk is, ja dan moet ik wel zeggen: "Ik heb niet voor niets geschreven. Ik heb niet voor niets geleefd."
Gerard Reve in: NRC Handelsblad 1 februari 1985
donderdag, november 02, 2006
dinsdag, oktober 24, 2006
'Een of ander verdriet, gemis of verlatenheid'

"In het midden van de boot, op de zeer ondiepe bodem, zat een jongen van naar schatting de leeftijd van Wallie. Noch de roerganger, noch de op het boord gezeten man keurde ons ook maar één blik waardig, maar de in het midden van de boot, met gekruiste handen over zijn opgetrokken knieën gezeten jongen keek ons aan. Hij was niet gekleed als de beide anderen, maar droeg een grijs met wit geblokte pullover, waaronder een kaki, openstaand hemd, en een bruine korte broek.
Het kon zijn, dat ik mij wederom van alles verbeeldde, maar de blik waarmede hij mij aankeek, en de trekken van zijn schuwe, bleke gezicht drukte, zo wilde het mij voorkomen, een of ander verdriet, gemis of verlatenheid uit. En bij die indruk, die op niets anders gegrond was dan op de korte flits van beschouwen terwijl we elkaar passeerden, voegde zich de gedachte dat hij, net als ik in de kano, zich tegen zijn zin in de boot bevond, en tegen zijn eigenlijke wil er zich met de beide anderen mede op het water begeven had."
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.229
"In het midden van de boot, op de zeer ondiepe bodem, zat een jongen van naar schatting de leeftijd van Wallie. Noch de roerganger, noch de op het boord gezeten man keurde ons ook maar één blik waardig, maar de in het midden van de boot, met gekruiste handen over zijn opgetrokken knieën gezeten jongen keek ons aan. Hij was niet gekleed als de beide anderen, maar droeg een grijs met wit geblokte pullover, waaronder een kaki, openstaand hemd, en een bruine korte broek.
Het kon zijn, dat ik mij wederom van alles verbeeldde, maar de blik waarmede hij mij aankeek, en de trekken van zijn schuwe, bleke gezicht drukte, zo wilde het mij voorkomen, een of ander verdriet, gemis of verlatenheid uit. En bij die indruk, die op niets anders gegrond was dan op de korte flits van beschouwen terwijl we elkaar passeerden, voegde zich de gedachte dat hij, net als ik in de kano, zich tegen zijn zin in de boot bevond, en tegen zijn eigenlijke wil er zich met de beide anderen mede op het water begeven had."
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.229
zaterdag, oktober 21, 2006
maandag, oktober 16, 2006
'Wat valt er bij jou af te luisteren? '

Structureel geweld
Terwijl hij zijn 14de flesje pils uit de krat trekt
en met de wipper, zonder te kijken, kreunend openduwt
-zoals de orang oetan, zonder zijn blik van het publiek te wenden,
een pinda tussen duim en dierenvinger knappend pelt-
klaagt Hugo R. luid tot mij voort:
'Mijn lijn wordt afgetapt. Al maanden.'
'Je wàt wordt afgetapt?'
'Mijn telefoon. Ik word afgeluisterd: het klikt.'
'Ongehoord,' zeg ik, terwijl ik denk:
'Wat valt er bij jou af te luisteren? '
Gerard Reve in Het Zingend Hart Amsterdam 1973 p.35
Structureel geweld
Terwijl hij zijn 14de flesje pils uit de krat trekt
en met de wipper, zonder te kijken, kreunend openduwt
-zoals de orang oetan, zonder zijn blik van het publiek te wenden,
een pinda tussen duim en dierenvinger knappend pelt-
klaagt Hugo R. luid tot mij voort:
'Mijn lijn wordt afgetapt. Al maanden.'
'Je wàt wordt afgetapt?'
'Mijn telefoon. Ik word afgeluisterd: het klikt.'
'Ongehoord,' zeg ik, terwijl ik denk:
'Wat valt er bij jou af te luisteren? '
Gerard Reve in Het Zingend Hart Amsterdam 1973 p.35
woensdag, oktober 11, 2006
"In de spiegel van een duistere rede"

'God had het zo gesteld, dat ik veroordeeld of geroepen was, de enig werkelijke Liefde en geen andere te zoeken, waarbij ik haar nooit anders dan uit de verte zoude mogen zien, onherkenbaar vervormd 'in de spiegel van een duistere rede', en nooit 'van aangezicht tot aangezicht', en haar nooit zoude mogen aanraken, net zo min als enig mens God kon zien of aanraken en kon leven. Zo zat het en niet anders. Het was min of meer mijn hel, of op zijn minst mijn vagevuur, en onbegrijpelijk, mijn begrip en dat van ieder mens te boven gaand, maar Hij had het, in Zijn onmetelijke genade jegens mij, aldus beschikt, en daarom was het goed...In Hem 'bewoog' -ik grinnikte even bij dit woord, dubbelzinnig als het op dit ogenblik was- 'en leefde' ik, uitverkoren om op volmaakte wijze te mogen gehoorzamen aan Zijn wil. "Geloofd weze Zijn naam'..'
Gerard Reve, in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.182
'God had het zo gesteld, dat ik veroordeeld of geroepen was, de enig werkelijke Liefde en geen andere te zoeken, waarbij ik haar nooit anders dan uit de verte zoude mogen zien, onherkenbaar vervormd 'in de spiegel van een duistere rede', en nooit 'van aangezicht tot aangezicht', en haar nooit zoude mogen aanraken, net zo min als enig mens God kon zien of aanraken en kon leven. Zo zat het en niet anders. Het was min of meer mijn hel, of op zijn minst mijn vagevuur, en onbegrijpelijk, mijn begrip en dat van ieder mens te boven gaand, maar Hij had het, in Zijn onmetelijke genade jegens mij, aldus beschikt, en daarom was het goed...In Hem 'bewoog' -ik grinnikte even bij dit woord, dubbelzinnig als het op dit ogenblik was- 'en leefde' ik, uitverkoren om op volmaakte wijze te mogen gehoorzamen aan Zijn wil. "Geloofd weze Zijn naam'..'
Gerard Reve, in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.182
dinsdag, oktober 10, 2006
'Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.'
Oost, West
Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.
Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen,
dat ik niet thuis ben.
Maar ik ben er wel.
Het is waarlijk juist en passend
dat ze denken dat ik niet thuis ben,
want ik wil alleen zijn, met U,
en tegen U praten en schreeuwen, al geeft U geen antwoord.
(1965)
Gerard Reve in Verzamelde Gedichten Amsterdam 1987 p.48
Oost, West
Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.
Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen,
dat ik niet thuis ben.
Maar ik ben er wel.
Het is waarlijk juist en passend
dat ze denken dat ik niet thuis ben,
want ik wil alleen zijn, met U,
en tegen U praten en schreeuwen, al geeft U geen antwoord.
(1965)
Gerard Reve in Verzamelde Gedichten Amsterdam 1987 p.48
zondag, oktober 08, 2006
8 april 2006-8 oktober 2006
'De dood is een poort..'

"De dood is een poort. MENEER. En als je me vraagt: waarheen, dan weet ik het niet. De dood is geen zinloze ondergang, dat niet. Het klinkt mooi om te zeggen, dat door de dood het leven weer perspectief en diepte krijgt -ja. tel uit je winst. Misschien zijn de zuiverste gedachten over de dood ook wel de ellendigste en onverdraaglijkste, terwijl het toch de juiste gedachten zijn.
....
HET GAAT MIJ OM EEN ENKEL DING, maar het is toch vrij diep verborgen, wordt nog vrij diep verstopt... De joden mochten de naam niet uitspreken.
...
...
God
...
..."
Gerard Reve In Gesprek Interviews, Baarn 1983 p. 144, 146
Interview Jouke Mulders met G.K. van het Reve, "Ik moet werken, anders word ik gek" in Elseviers Magazine, 29 april 1972
'De dood is een poort..'
"De dood is een poort. MENEER. En als je me vraagt: waarheen, dan weet ik het niet. De dood is geen zinloze ondergang, dat niet. Het klinkt mooi om te zeggen, dat door de dood het leven weer perspectief en diepte krijgt -ja. tel uit je winst. Misschien zijn de zuiverste gedachten over de dood ook wel de ellendigste en onverdraaglijkste, terwijl het toch de juiste gedachten zijn.
....
HET GAAT MIJ OM EEN ENKEL DING, maar het is toch vrij diep verborgen, wordt nog vrij diep verstopt... De joden mochten de naam niet uitspreken.
...
...
God
...
..."
Gerard Reve In Gesprek Interviews, Baarn 1983 p. 144, 146
Interview Jouke Mulders met G.K. van het Reve, "Ik moet werken, anders word ik gek" in Elseviers Magazine, 29 april 1972
zondag, oktober 01, 2006
'ik althans geloof niet meer in enige verlossing buiten Haar om...'
*Onze Lieve Vrouw ter Nood, Heiloo
"Greonterp, 14 september 1967
Lieve Bul,
Ik zoude donderdag graag een beleefdheidsbezoek willen afleggen bij mijn arts in Amsterdam, maar onderweg naar Amsterdam wilde ik nog twee andere dingen doen: 1. ergens in een park zeer veel rozenbottels oogsten, om er sjem van te maken; 2. langs Heiloo gaan, & het heiligdom van Maria ter Nood * bezoeken, en voor Haar twee kaarsen ontsteken. Het is bijna geen omweg. Ik gevoel dat ik Haar verwaarloos, terwijl toch Haar status niet veel verschilt van die van Haar Zoon: ik althans geloof niet meer in enige verlossing buiten Haar om, al mag je dat, geloof ik, nog niet hardop zeggen.
Erg dronken, in het geheim, maar afschuwelijk goed bij mijn verstand. Zo zie je. Uw toegenegen & getrouwe lange vriend
Gerard"
Gerard Reve, in Het Lieve Leven Amsterdam 1974 p. 26
*Onze Lieve Vrouw ter Nood, Heiloo
"Greonterp, 14 september 1967
Lieve Bul,
Ik zoude donderdag graag een beleefdheidsbezoek willen afleggen bij mijn arts in Amsterdam, maar onderweg naar Amsterdam wilde ik nog twee andere dingen doen: 1. ergens in een park zeer veel rozenbottels oogsten, om er sjem van te maken; 2. langs Heiloo gaan, & het heiligdom van Maria ter Nood * bezoeken, en voor Haar twee kaarsen ontsteken. Het is bijna geen omweg. Ik gevoel dat ik Haar verwaarloos, terwijl toch Haar status niet veel verschilt van die van Haar Zoon: ik althans geloof niet meer in enige verlossing buiten Haar om, al mag je dat, geloof ik, nog niet hardop zeggen.
Erg dronken, in het geheim, maar afschuwelijk goed bij mijn verstand. Zo zie je. Uw toegenegen & getrouwe lange vriend
Gerard"
Gerard Reve, in Het Lieve Leven Amsterdam 1974 p. 26
'Enerlei adem en dezelfde stem. "

"Ik zweeg, Woelrat bewoog zich niet, en staarde naar het plafond. De stilte die inviel, begon zich te vullen met het verleden, en spoedig zou ik wederom moeten denken aan de doden. Het verleden rukte telkens verder op, en schoof nader: het scheen, of het probeerde ons in te halen, wat vreemd was, want het was immers ergens terugwaarts in de tijd geschied en zou daar, onbeweeglijk, voor immer dienen te blijven. De doden waren ver achter mij aan de kant van mulle wegen in donkere huiverende dennenwouden, in de naaldbedekte grond besteld, en de opgehoogde aarde van hunne graven was reeds verstoven en weggespoeld door wind en regen, en onvindbaar geworden. Niettemin marcheerden zij in onze rijen mede. Waren zij werkelijk wel gedoden, en hadden wij eigenlijk niet met hen 'enerlei adem' en dezelfde stem? Zij klaagden, beschuldigend en verwijtend, de doden, hardnekkig iets bewerend waarmede niemand het eens of oneens kon zijn, en hunne stemmen waren van eenzelfde hese klacht als de onze."
Gerard Reve, Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1994, vierde druk p. 9
Beginpassage van hoofdstuk I Het Volle Leven
"Ik zweeg, Woelrat bewoog zich niet, en staarde naar het plafond. De stilte die inviel, begon zich te vullen met het verleden, en spoedig zou ik wederom moeten denken aan de doden. Het verleden rukte telkens verder op, en schoof nader: het scheen, of het probeerde ons in te halen, wat vreemd was, want het was immers ergens terugwaarts in de tijd geschied en zou daar, onbeweeglijk, voor immer dienen te blijven. De doden waren ver achter mij aan de kant van mulle wegen in donkere huiverende dennenwouden, in de naaldbedekte grond besteld, en de opgehoogde aarde van hunne graven was reeds verstoven en weggespoeld door wind en regen, en onvindbaar geworden. Niettemin marcheerden zij in onze rijen mede. Waren zij werkelijk wel gedoden, en hadden wij eigenlijk niet met hen 'enerlei adem' en dezelfde stem? Zij klaagden, beschuldigend en verwijtend, de doden, hardnekkig iets bewerend waarmede niemand het eens of oneens kon zijn, en hunne stemmen waren van eenzelfde hese klacht als de onze."
Gerard Reve, Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1994, vierde druk p. 9
Beginpassage van hoofdstuk I Het Volle Leven
woensdag, september 27, 2006
‘,,,of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren.’

Diederik van Vleuten - Kroontjespen Gerard Reve
“…ik weet niet, wat wezenlijk en beslissend is geweest in mijn leven, en wat niet. Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dit leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid en geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.
Wat ik hier vermeld, geldt wellicht gelijkelijk voor elk mensenleven. Het menselijk leven kan slechts zin en duiding verkrijgen door de goddelijke genade, en die genade onttrekt zich aan de zeggenschap en de kennis van mensen: aldus weet ik niet en zal ik nooit weten, of mijn leven deze zin en duiding ooit, door wie dan ook, te vinden en aan te wijzen zou zijn.
Waarom dan beschrijf ik een leven, waarin ik geen duiding of zin kan ontdekken? Ik zou het niet kunnen zeggen, of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren.”
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 9 (proloog)
Diederik van Vleuten - Kroontjespen Gerard Reve
“…ik weet niet, wat wezenlijk en beslissend is geweest in mijn leven, en wat niet. Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dit leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid en geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.
Wat ik hier vermeld, geldt wellicht gelijkelijk voor elk mensenleven. Het menselijk leven kan slechts zin en duiding verkrijgen door de goddelijke genade, en die genade onttrekt zich aan de zeggenschap en de kennis van mensen: aldus weet ik niet en zal ik nooit weten, of mijn leven deze zin en duiding ooit, door wie dan ook, te vinden en aan te wijzen zou zijn.
Waarom dan beschrijf ik een leven, waarin ik geen duiding of zin kan ontdekken? Ik zou het niet kunnen zeggen, of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren.”
Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 9 (proloog)
zondag, september 24, 2006
'Op de rug van een grote vis gezeten, naar de Maan..'
Een droom
"Toen ik acht of negen jaar oud was, of misschien zelfs nog jonger, had ik een droom, die mij, mogelijk nog door zijn sprookjesachtig karakter, tot in ieder detail is bijgebleven. In mijn droom reisde ik, schrijlings op . De Maan ontving mij zeer vriendelijk, en na afloop van mijn bezoek vergezelde zij mij huiswaarts. De grote vis hield in de lucht stil voor het raam van een bovenverdieping van de ouderlijke woning, waar, aan de straatzijde, mijn vader zijn werkkamer had. Het raam van zijn kamer was gesloten, maar niettemin tilde de Maan mij van de rug van de vis, en probeerde ze mij door het gesloten raam heen de kamer binnen te zetten. Haar pogingen mislukten uiteraard, en ze liet me vallen. Ik belandde op de grond van de voortuin, en hier hield de droom op, want ik werd wakker."
Gerard Reve in Brieven aan mijn Lijfarts, Amsterdam/Antwerpen 1992 p. 153
Een droom
"Toen ik acht of negen jaar oud was, of misschien zelfs nog jonger, had ik een droom, die mij, mogelijk nog door zijn sprookjesachtig karakter, tot in ieder detail is bijgebleven. In mijn droom reisde ik, schrijlings op . De Maan ontving mij zeer vriendelijk, en na afloop van mijn bezoek vergezelde zij mij huiswaarts. De grote vis hield in de lucht stil voor het raam van een bovenverdieping van de ouderlijke woning, waar, aan de straatzijde, mijn vader zijn werkkamer had. Het raam van zijn kamer was gesloten, maar niettemin tilde de Maan mij van de rug van de vis, en probeerde ze mij door het gesloten raam heen de kamer binnen te zetten. Haar pogingen mislukten uiteraard, en ze liet me vallen. Ik belandde op de grond van de voortuin, en hier hield de droom op, want ik werd wakker."
Gerard Reve in Brieven aan mijn Lijfarts, Amsterdam/Antwerpen 1992 p. 153
Abonneren op:
Posts (Atom)