'Vermorsing van veel kostbare tijd'
'Steeds duidelijker is het mij geworden, dat ik een dwaas, dwalend en zondig leven heb geleid, maar het onvergeeflijkste van alles is de vermorsing van zo veel kostbare tijd. Ik heb er zeer veel domme meningen op na gehouden, die nu hebben afgedaan.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde, Amsterdam 1966 p.135
woensdag, december 31, 2003
'Het is gezien..het is niet onopgemerkt gebleven.'
'Ik leef,' fluisterde hij, 'ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.' Hij liep terug naar de keuken, voltooide het poetsen en betrad zijn slaapkamer.
'Konijn,' zei hij, het konijn op de arm nemend, 'je straf is ingetrokken, gezien je grootste verdiensten voor de zaak. 'Hij zette het dier op de schrijftafel, sloot de grodijnen en begon zich uit te kleden. Toen hij gereed was, trommelde hij zich met de vuisten op de borst, en betastte zijn lichaam. Hij kneep in het vel van de nek, in de buik, de kuiten en de dijen. 'Alles is voorbij,' fluisterde hij, 'het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.'
Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. 'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, 1947
Amsterdam 1971, eenentwintgste druk p.196
'Ik leef,' fluisterde hij, 'ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.' Hij liep terug naar de keuken, voltooide het poetsen en betrad zijn slaapkamer.
'Konijn,' zei hij, het konijn op de arm nemend, 'je straf is ingetrokken, gezien je grootste verdiensten voor de zaak. 'Hij zette het dier op de schrijftafel, sloot de grodijnen en begon zich uit te kleden. Toen hij gereed was, trommelde hij zich met de vuisten op de borst, en betastte zijn lichaam. Hij kneep in het vel van de nek, in de buik, de kuiten en de dijen. 'Alles is voorbij,' fluisterde hij, 'het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.'
Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. 'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, 1947
Amsterdam 1971, eenentwintgste druk p.196
dinsdag, december 30, 2003
Een 'draaglijker soort eenzaamheid'
'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede, al heb ik het gevoel, dat de genomen beslissing de juiste is.
...
In ieder geval heb ik me nog nooit in mijn leven met enig ander levend wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van een ander.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde, Amsterdam 1966 p.134
'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede, al heb ik het gevoel, dat de genomen beslissing de juiste is.
...
In ieder geval heb ik me nog nooit in mijn leven met enig ander levend wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van een ander.'
Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde, Amsterdam 1966 p.134
maandag, december 29, 2003
'Ach alles is zo ver, en zo moe'
Het is voor de zoveelste keer 'het weer van alle mensen'. Soms, als de wind bijna geheel is gaan liggen en het zonlicht, zeer stil en oud, doorbreekt, en ik door de patrijspoort kijk naar de lelijke automobielen op de kade en, heel in de verte, tussen de huizen door, een klein boompje zie, misschien een smal esdoorntje of berkje, waarvan de honderden blaadjes als evenzovele groene spiegeltjes, enzovoorts; ach, alles is zo ver en zo moe.
Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde, Amsterdam 1966 p.134
Het is voor de zoveelste keer 'het weer van alle mensen'. Soms, als de wind bijna geheel is gaan liggen en het zonlicht, zeer stil en oud, doorbreekt, en ik door de patrijspoort kijk naar de lelijke automobielen op de kade en, heel in de verte, tussen de huizen door, een klein boompje zie, misschien een smal esdoorntje of berkje, waarvan de honderden blaadjes als evenzovele groene spiegeltjes, enzovoorts; ach, alles is zo ver en zo moe.
Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde, Amsterdam 1966 p.134
zondag, december 28, 2003
Niet omkeerbaar
'Kind,' zei hij tegen Joosje, 'hetzij je met dit, hetzij je met dat binnenkomt, zet het even neer en doe de deur dicht. Tocht is wind in huis.' 'Tocht is wind in huis, ' herhaalde hij, zich tot Chris wendend, 'is dat zo of niet? '
'Ja, ' antwoordde deze, 'tocht is wind in huis. Je hebt gelijk. Maar de definitie is niet omkeerbaar. Dat is een kwaad teken. Ik bedoel: wind in huis is nog geen tocht. '
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, 1947
Amsterdam 1971, eenentwintgste druk p.100
'Kind,' zei hij tegen Joosje, 'hetzij je met dit, hetzij je met dat binnenkomt, zet het even neer en doe de deur dicht. Tocht is wind in huis.' 'Tocht is wind in huis, ' herhaalde hij, zich tot Chris wendend, 'is dat zo of niet? '
'Ja, ' antwoordde deze, 'tocht is wind in huis. Je hebt gelijk. Maar de definitie is niet omkeerbaar. Dat is een kwaad teken. Ik bedoel: wind in huis is nog geen tocht. '
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, 1947
Amsterdam 1971, eenentwintgste druk p.100
zaterdag, december 27, 2003
Dat gaat vanzelf
'Je wordt oud en ziek en dan sterf je. Zo moest het ook, en gelukkig gaat het ook zo. Dat ziek worden en sterven, daar behoeven we ons niet mede te bemoeien, want dat gaat vanzelf. Maar de ouderdom is interessant. Je wordt vrij. Je kunt steeds vrijer spreken, naarmate je dichter bij de Dood komt. Nu ja, zo zie ik het natuurlijk niet de gehele dag, maar vanmorgen wel.'
Gerard Reve, Klein gebrek geen bezwaar, Een keuze uit zijn brieven
Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht/Antwerpen MCMLXXXVI p.175,176
'Je wordt oud en ziek en dan sterf je. Zo moest het ook, en gelukkig gaat het ook zo. Dat ziek worden en sterven, daar behoeven we ons niet mede te bemoeien, want dat gaat vanzelf. Maar de ouderdom is interessant. Je wordt vrij. Je kunt steeds vrijer spreken, naarmate je dichter bij de Dood komt. Nu ja, zo zie ik het natuurlijk niet de gehele dag, maar vanmorgen wel.'
Gerard Reve, Klein gebrek geen bezwaar, Een keuze uit zijn brieven
Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht/Antwerpen MCMLXXXVI p.175,176
vrijdag, december 26, 2003
donderdag, december 25, 2003
'Kerstmis, het is gauw voorbij, voorbij, voorbij...
'Kerstmis, het is gauw voorbij, voorbij, voorbij...' meende ze te horen zeggen. 'Ach, Kerstmis, eenmaal in het jaar, eenmaal maar, en de geschenken, en allerlei presentjes...' hoorde ze duidelijk zeggen. De stem verdween en ze hoorde, als van verre, een lied....
Nu was het haar te moede, alsof ze zich ergens bevond waar ze lang, vol verwachting op een of andere verrassing moest wachten.
Gerard Reve in Tien vrolijke verhalen: De Kerstavond van Zuster Magnussen Amsterdam/Antwerpen 1993 p.56
'Kerstmis, het is gauw voorbij, voorbij, voorbij...' meende ze te horen zeggen. 'Ach, Kerstmis, eenmaal in het jaar, eenmaal maar, en de geschenken, en allerlei presentjes...' hoorde ze duidelijk zeggen. De stem verdween en ze hoorde, als van verre, een lied....
Nu was het haar te moede, alsof ze zich ergens bevond waar ze lang, vol verwachting op een of andere verrassing moest wachten.
Gerard Reve in Tien vrolijke verhalen: De Kerstavond van Zuster Magnussen Amsterdam/Antwerpen 1993 p.56
woensdag, december 24, 2003
'Iets van de weemoed '
'Zuster Magnussen mocht nuchter zijn, juist op dit ogenblik, nu het gezoem om haar heen was verstomd, en ze het getingel van de klokjes en het gezang uit de winkels niet meer hoorde, maakte zich iets van de weemoed van haar meester, waarvan elke Kerstviering doortrokken is: vrede op aarde, de geboorte van Gods Zoon, lange treinreizen, druilerig donker weer, dat de mensen in fel verwarmde vertrekken bijeendreef, schittering van verzilverd glas, gemorste kunstsneeuw, bergen verfrommeld pakpapier en de geheime geur, droevig als een jeugdherinnering -de geur van kaarsvet en warm geworden dennenaalden.
Gerard Reve in Tien vrolijke verhalen: De Kerstavond van Zuster Magnussen Amsterdam/Antwerpen 1993 p.56
'Zuster Magnussen mocht nuchter zijn, juist op dit ogenblik, nu het gezoem om haar heen was verstomd, en ze het getingel van de klokjes en het gezang uit de winkels niet meer hoorde, maakte zich iets van de weemoed van haar meester, waarvan elke Kerstviering doortrokken is: vrede op aarde, de geboorte van Gods Zoon, lange treinreizen, druilerig donker weer, dat de mensen in fel verwarmde vertrekken bijeendreef, schittering van verzilverd glas, gemorste kunstsneeuw, bergen verfrommeld pakpapier en de geheime geur, droevig als een jeugdherinnering -de geur van kaarsvet en warm geworden dennenaalden.
Gerard Reve in Tien vrolijke verhalen: De Kerstavond van Zuster Magnussen Amsterdam/Antwerpen 1993 p.56
dinsdag, december 23, 2003
Tom te tom tom
'Tom te tom tom, tom te tom, ' zong Frits in zichzelf,
'het gaat slecht, verder gaat het goed.'
'Het gymnasium bestaat twintig jaar. Ik ga er heen, voor mijn plezier'.'
'Wij deinzen voor niets terug,' zei hij hardop. 'Het zou kinderachtig zijn, weg te blijven. De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden.'
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, Amsterdam 1971 p.24, 25
'Tom te tom tom, tom te tom, ' zong Frits in zichzelf,
'het gaat slecht, verder gaat het goed.'
'Het gymnasium bestaat twintig jaar. Ik ga er heen, voor mijn plezier'.'
'Wij deinzen voor niets terug,' zei hij hardop. 'Het zou kinderachtig zijn, weg te blijven. De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden.'
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, Amsterdam 1971 p.24, 25
maandag, december 22, 2003
'Hoei boei, de kachel'
'Hoei boei, de kachel,' zei zijn moeder. Ze keek in het vuur en zei: 'Hij brandt goed. Denk eraan, dat jullie hem zo laat staan. Met de ketel ertussen.' Ze deed voor, hoe de aluminium waterketel tegen de bovenkant van de vulklep gezet moest blijven, zodat deze een eindje open stond. 'Anders vliegt alles er in een uur door, ' zei ze.
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, Amsterdam 1971 p.12
'Hoei boei, de kachel,' zei zijn moeder. Ze keek in het vuur en zei: 'Hij brandt goed. Denk eraan, dat jullie hem zo laat staan. Met de ketel ertussen.' Ze deed voor, hoe de aluminium waterketel tegen de bovenkant van de vulklep gezet moest blijven, zodat deze een eindje open stond. 'Anders vliegt alles er in een uur door, ' zei ze.
Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal, Amsterdam 1971 p.12
zondag, december 21, 2003
Een lied van overgave
'Opnieuw dus: Uit de diepten. En alweer: nadat hij een zeer groot aantal dagen onafgebroken aan de kruik was geweest, nog steeds echter zonder dat je veel bizonders aan hem kon zien. Een zang ook, terwijl hij ferm bleef doorstappen in de richting van de Duisternis, en weer: voor de orkestmeester. Wederom: een Nachtlied. En meer dan ooit een lied van overgave, want nimmer was mijn heimwee naar U zo fel, en zo mateloos.'
Gerard Reve, Nader tot U Amsterdam 2001 p.109
'Opnieuw dus: Uit de diepten. En alweer: nadat hij een zeer groot aantal dagen onafgebroken aan de kruik was geweest, nog steeds echter zonder dat je veel bizonders aan hem kon zien. Een zang ook, terwijl hij ferm bleef doorstappen in de richting van de Duisternis, en weer: voor de orkestmeester. Wederom: een Nachtlied. En meer dan ooit een lied van overgave, want nimmer was mijn heimwee naar U zo fel, en zo mateloos.'
Gerard Reve, Nader tot U Amsterdam 2001 p.109
zaterdag, december 20, 2003
'Ik was geboren voor het lijden'
'Ik was dus nog niet te laat, maar wat wilde dat nu eigenlijk zeggen: 'nog niet te laat'? Zelfs als ik de jongen in of bij de verlaten hoeve zou aantreffen, wat had ik dan nog bewerkstelligd? Wat joeg ik na, wat was ik mijzelve aan het voorspiegelen? Wat was er in mijn leven, wat de liefde betrof, ooit op iets anders dan ellende en vernedering uitgelopen? Ik was geboren voor het lijden, dacht ik enigszins plechtig. Mijn ziel en mijn karakter waren ziek en verminkt; wat ik zocht, zou ik nergens op aarde ooit vinden, zo was dat.'
Gerard Reve, Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.39,40
'Ik was dus nog niet te laat, maar wat wilde dat nu eigenlijk zeggen: 'nog niet te laat'? Zelfs als ik de jongen in of bij de verlaten hoeve zou aantreffen, wat had ik dan nog bewerkstelligd? Wat joeg ik na, wat was ik mijzelve aan het voorspiegelen? Wat was er in mijn leven, wat de liefde betrof, ooit op iets anders dan ellende en vernedering uitgelopen? Ik was geboren voor het lijden, dacht ik enigszins plechtig. Mijn ziel en mijn karakter waren ziek en verminkt; wat ik zocht, zou ik nergens op aarde ooit vinden, zo was dat.'
Gerard Reve, Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.39,40
vrijdag, december 19, 2003
Het tijdstip scheen eeuwig te zijn.'
Russell Chatham
"Winter Light" 1999
'Er heerste een bijna volkomen windstilte, en uit een nagenoeg wolkenloze hemel, scheen met milddadige of genadeloze helderheid, al naar men het wenste te zien, een felle najaarszon.
Het licht was zo scherp en zo overvloedig, dat men zich ook in het midden van de zomer had kunnen wanen; slechts de lage stand van de zon, de naaktheid der verweerde platanen op het dorpsplein en de gesloten luiken en het gesloten terras van het kleine toeristenhotel gaven aan, dat het winter was: het tijdstip scheen eeuwig te zijn.'
Gerard Reve, Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.20
Russell Chatham
"Winter Light" 1999
'Er heerste een bijna volkomen windstilte, en uit een nagenoeg wolkenloze hemel, scheen met milddadige of genadeloze helderheid, al naar men het wenste te zien, een felle najaarszon.
Het licht was zo scherp en zo overvloedig, dat men zich ook in het midden van de zomer had kunnen wanen; slechts de lage stand van de zon, de naaktheid der verweerde platanen op het dorpsplein en de gesloten luiken en het gesloten terras van het kleine toeristenhotel gaven aan, dat het winter was: het tijdstip scheen eeuwig te zijn.'
Gerard Reve, Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.20
donderdag, december 18, 2003
'Mensen, die zich in ernstige mate bezighouden met
God, de Liefde en de Dood...die zijn uitgezonderd'
'Iedereen was dus slecht, ook al woonde er in deze of gene nog wel iets goeds. Waar ging het ook al weder over? O ja, dat arme mensen slecht waren, omdat ze anders immers niet arm zouden zijn. Neen, daar viel niets aan te tornen: de waarheid was evident, empirisch bewezen zelfs, zoude men kunnen zeggen. Maar hij zelf, Treger, en Eenhoorn, die waren toch ook arm? 'Zijn wij dan ook slecht?' vroeg Treger zich af. Hij meende dat men ruimte moest scheppen voor gunstige uitzonderingen.
'Mensen, die zich in ernstige mate bezighouden met God, de Liefde en de Dood,' dacht hij, zelfs in gedachten de verschuldigde hoofdletters niet vergetend, 'die zijn uitgezonderd. En mensen die bijvoorbeeld achting hebben voor dieren. Daarom zijn er ook katholieke dieren, want die bestaan.'
Gerard Reve, Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989, vijfde druk p.57
God, de Liefde en de Dood...die zijn uitgezonderd'
'Iedereen was dus slecht, ook al woonde er in deze of gene nog wel iets goeds. Waar ging het ook al weder over? O ja, dat arme mensen slecht waren, omdat ze anders immers niet arm zouden zijn. Neen, daar viel niets aan te tornen: de waarheid was evident, empirisch bewezen zelfs, zoude men kunnen zeggen. Maar hij zelf, Treger, en Eenhoorn, die waren toch ook arm? 'Zijn wij dan ook slecht?' vroeg Treger zich af. Hij meende dat men ruimte moest scheppen voor gunstige uitzonderingen.
'Mensen, die zich in ernstige mate bezighouden met God, de Liefde en de Dood,' dacht hij, zelfs in gedachten de verschuldigde hoofdletters niet vergetend, 'die zijn uitgezonderd. En mensen die bijvoorbeeld achting hebben voor dieren. Daarom zijn er ook katholieke dieren, want die bestaan.'
Gerard Reve, Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989, vijfde druk p.57
woensdag, december 17, 2003
Dat was ongehoord droevig
'Men kon zich in bespiegelingen begeven en de vraag stellen waarom men zich de Geboorte en Menswording van God vierde door miljoenen bomen te kappen en die stervende bomen nog voor veel geld te verkopen ook. Dat was ongehoord droevig meende Treger, maar niemand scheen het ongewoon te vinden behalve hij. 'Het is noodlot', dacht hij. 'Je ziet het voor je ogen gebeuren, maar je kunt niets doen.'
Gerard Reve, Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989, vijfde druk p.139
'Men kon zich in bespiegelingen begeven en de vraag stellen waarom men zich de Geboorte en Menswording van God vierde door miljoenen bomen te kappen en die stervende bomen nog voor veel geld te verkopen ook. Dat was ongehoord droevig meende Treger, maar niemand scheen het ongewoon te vinden behalve hij. 'Het is noodlot', dacht hij. 'Je ziet het voor je ogen gebeuren, maar je kunt niets doen.'
Gerard Reve, Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989, vijfde druk p.139
dinsdag, december 16, 2003
"omdat ik eenvoudigweg gebiologeerd ben"
'Ik luister altijd naar gesprekken in treinen, dat wil zeggen niet uit vrije wil, of omdat ik het zo leerzaam zou vinden dat een Scheppend Kunstenaar Naar De Mensen Weet Te Luisteren (van de illusie dat je op die manier ooit een medeling zoudt kunnen opvangen die het overwegen gedurende langer dan acht seconden waard zou zijn, ben ik al lang af), maar omdat ik eenvoudigweg gebiologeerd ben, en nu eenmaal gedwongen word, zelfs als men ternauwernood van een gedachtenwisseling kan spreken, elk woord te registreren tot ik bijna begin te kreunen.'
Gerard Kornelis van het Reve, in Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p.76
'Ik luister altijd naar gesprekken in treinen, dat wil zeggen niet uit vrije wil, of omdat ik het zo leerzaam zou vinden dat een Scheppend Kunstenaar Naar De Mensen Weet Te Luisteren (van de illusie dat je op die manier ooit een medeling zoudt kunnen opvangen die het overwegen gedurende langer dan acht seconden waard zou zijn, ben ik al lang af), maar omdat ik eenvoudigweg gebiologeerd ben, en nu eenmaal gedwongen word, zelfs als men ternauwernood van een gedachtenwisseling kan spreken, elk woord te registreren tot ik bijna begin te kreunen.'
Gerard Kornelis van het Reve, in Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p.76
maandag, december 15, 2003
'Want het is ijdelheid, alles.'
'Nu, ik hoop dat jullie niet treurig bent, want er zijn toch ook veel mooie dingen in het leven, als je ze maar zien wilt. Ik kan me met de beste wil van de wereld vrijwel nergens echte kopzorg om maken, want vroeg of laat is het afgelopen en heb je je kwaadgemaakt over onzin en hersenschimmen, want het is ijdelheid, alles.'
Gerard Reve, in Brieven aan Josine M. 1959-1975 Amsterdam eerste druk 1981 p.81
'Nu, ik hoop dat jullie niet treurig bent, want er zijn toch ook veel mooie dingen in het leven, als je ze maar zien wilt. Ik kan me met de beste wil van de wereld vrijwel nergens echte kopzorg om maken, want vroeg of laat is het afgelopen en heb je je kwaadgemaakt over onzin en hersenschimmen, want het is ijdelheid, alles.'
Gerard Reve, in Brieven aan Josine M. 1959-1975 Amsterdam eerste druk 1981 p.81
zondag, december 14, 2003
Zo wij zeer sterk zijn tachtig jaren
'Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.'
Psalm 90 vs 10
14 december 1963:
"Wij vieren vandaag onze verjaardag in gepaste Soberheid & Eenvoud"
in: brief vanuit Londen aan de "Lieve Mensen V."
Tom Rooduijn, Revelaties, Uitgeverij Conserve 2003, p.175
'Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.'
Psalm 90 vs 10
14 december 1963:
"Wij vieren vandaag onze verjaardag in gepaste Soberheid & Eenvoud"
in: brief vanuit Londen aan de "Lieve Mensen V."
Tom Rooduijn, Revelaties, Uitgeverij Conserve 2003, p.175
zaterdag, december 13, 2003
Angst
"Voor de fundamentalistiese Freudianen is angst een aanwijzing, dat een seksuele begeerte verdrongen wordt. Maar dan zou iedereen verteerd moeten worden door angst, want er is niemand, die niet een of ander seksueel verlangen moet intomen.
Angst wijst er volgens mij op, dat men op een drempel staat, of aan de afgrond, en de opdracht heeft, naar binnen te gaan respektievelijk in de diepte van het onbegrensde onbekende te springen. Wordt de opdracht bewust gemaakt, en vervuld, dan verdwijnt de angst."
Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p. 127
"Voor de fundamentalistiese Freudianen is angst een aanwijzing, dat een seksuele begeerte verdrongen wordt. Maar dan zou iedereen verteerd moeten worden door angst, want er is niemand, die niet een of ander seksueel verlangen moet intomen.
Angst wijst er volgens mij op, dat men op een drempel staat, of aan de afgrond, en de opdracht heeft, naar binnen te gaan respektievelijk in de diepte van het onbegrensde onbekende te springen. Wordt de opdracht bewust gemaakt, en vervuld, dan verdwijnt de angst."
Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p. 127
Abonneren op:
Posts (Atom)