vrijdag, november 19, 2004

'De oorlog is een gruwelijk bedrijf'



'De oorlog is een gruwelijk bedrijf, dat over akkers en steden een doodskleed van onstilbare rouw legt, al verjongt hij wel een volk, dat is een feit, al wordt het soms brutaalweg geloochend.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.194

maandag, november 15, 2004

Tragisch

'Echt van het bestaan genoten heb ik nooit, noch mij in het leven echt thuisgevoeld. Ik vond voor die toestand van mij een woord dat het altijd en overal doet, en dat U al eerder bent tegengekomen: tragisch. Want tragisch is altijd goed. En een tragische roman of een tragisch verhaal of een tragische brief schrijven dat is veel gemakkelijker dan iets schrijven dat grappig is. De mensen lezen trouwens liever ellende dan al dat gedans en gespring.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.180

donderdag, november 11, 2004

'Zijn tent was onder de mensen'

‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen, dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.56

woensdag, november 10, 2004

De Meedogenloze Jongen. Wie is hij?



'De Meedogenloze Jongen komt al voor in 1966, in een verhaal dat Brief In De Nacht Geschreven heet, en terecht is opgenomen in mijn avonturenroman Nader Tot U, die vele lezers heeft wakker geschud. Ook toen verscheen hij mij, en eveneens in een tent, zoals velen zich herinneren.
Wie is hij? In het werk van tijdgenoten komt hij niet voor, noch in andere geïnspireerde geschriften. Hij is wreed, en wil jongens martelen maar tegelijkertijd erg lief voor ze zijn en ze van alles ten geschenke geven, dus hij wordt overal verjaagd. Is hij de verbreider van het revisme? Stellig belichaamt hij iets dat komende is in de wereld. Zoude hij mijn graf willen bewaken? Ik durf zoiets niet te vragen, maar ik zoude het wel op prijs stellen. (Ik schrijf voor mensen en ook voor vele dieren die zelf niet lezen. Dus het moet begrijpelijk zijn wat ik schrijf, als het maar mooi is en troost schenkt aan allen die deze van node hebben.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.158

dinsdag, november 09, 2004

Dood en Leven

'De dood die heb je al, bedoel ik, maar het leven is wat je er zelf van weet te maken.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.150

maandag, november 08, 2004

’Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook’

‘Ik wil niet dat U het zich allemaal aantrekt; Uw Schuld is het zeker niet. En U behoeft niet katholiek te worden. Ja, als U echt niet meer te houden bent, dan bemoei ik me er niet meer mede. Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht; voor de gehele schepping, voor alles wat adem heeft; en voor alle doden, die wachten op de Verrijzenis en de Verlossing van alle Vlees. Amen. (Stilte. Zwijgend knikken. Hier en daar wist men ogen af met zakdoek.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.141

zondag, november 07, 2004

’Een eeuwige pelgrim naar een immer wenkende horizon’



‘Maar de dood sloeg eigenlijk overal toe waar het hem zinde, schijnbaar zonder systeem, bij jong en oud. In dit recente geval bij jong, als men Jean Luc nog echt jong kon noemen: hij zoude over drie maanden 28 jaar zijn geworden, bijna dus reeds een vieze oude man van boven de dertig.
Bij deze gedachte nam ik opnieuw voor de spiegel mijn eigen gestalte in ogenschouw, en die viel mij mede. Mijn verschijning had iets tijdloos: ik had geen leeftijd omdat ik een eeuwige pelgrim was naar een immer wenkende horizon. Helemaal geen lelijke gozer, en voor de liefhebbers van het soort nog steeeds een buitenkansje.’

Gerard Reve in : Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam /Antwerpen 1996 p.102, 103.

donderdag, november 04, 2004

'Dan wilde ik wel met hem medegaan.'



'Was hij, die jongeman dus, de Dood? Dan wilde ik wel met hem medegaan. Een mooie jongen, die vond je niet zo maar overal, en naarmate men ouder werd bleef het meer en meer een leven van behelpen. Daarmede bedoel ik niet dat ik in mijn toestand in staat was enig oordeel te vellen of iets te begrijpen, maar zijn verschijning stelde mij gerust. Ik denk dat ik mij gevoelde als een dier dat door ziekte of zwakte weerloos is geworden en een mens op zich af ziet komen die het goed met hem meent. Want een dier weet dat, door geheime kennis die nooit ontraadseld is.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 84

woensdag, november 03, 2004

"tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood"

'Neen, hij was meedogenloos geweest, met een bizondere wreedheid die door onverschilligheid werd gevoed. Hij was wreed geweest, jawel, en een hartbrekend monster, reken maar. Daarom had ik zoveel van hem gehouden, en treurde ik bijna tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood, terwijl hij nog een geheel leven voor zich had kunnen hebben, vol wreedheid die een blijvend verdriet gezaaid zoude hebben in ontelbare harten, vooral die van zeer jonge personen, scholieren veelal die eigenlijk nog kinderen waren.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 38

dinsdag, november 02, 2004



"en zong een lied
over een naamloos Graf van eeuwigheid"


uit: Allerzielen

Gerard Reve Gedichten Amsterdam 1987 p.54,
alwaar het gehele gedicht te lezen is.

maandag, november 01, 2004

'Het werkelijke probleem is de verlatenheid.'

'Verder ben ik niet tegen de dood, zoals veel domme mensen. Het werkelijke probleem is de verlatenheid. Alleen zijn is meestal nog te dragen, het zich verlaten weten nooit. Ik vroeg mij af hoe God Zich gevoelde, en of God ooit een mens of enig ander schepsel zoude verlaten. Maar ik liet die vragen wederom rusten, want ik had er geen verstand van.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 29

vrijdag, oktober 29, 2004

'Gebonden en gevangen'

'Ik meen dat het geloof is: het vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben. En het valt te betwijfelen, of liefde zonder objekt bestaanbaar is. 'Vrije liefde', bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis: het wezen van iedere liefde is, dat zij zich gebonden en gevangen geeft. (Zelfs Gods Liefde kan het Zich gebonden en gevangen geven in Zijn Schepping, inzonderheid door zijn Menswording, kennelijk niet ontberen.) Wie iedereen liefheeft en het gehele mensdom in zijn afrmen sluit, houdt waarschijnlijk van niemand.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p. 243

woensdag, oktober 27, 2004

'Misschien zit er in zoverre een systeem in..'

'Als de tijden goed zijn ben ik er beroerd aan toe en, als de tijden slecht zijn, gevoel ik mij goed of althans redelijk wel. Hoe dit zo komt, zoude ik niet kunnen zeggen. Een oorzakelijk verband zie ik niet, maar misschien zit er in zoverre een systeem in, dat de som der dingen steeds op dezelfde grootte moet uitkomen.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.72

dinsdag, oktober 26, 2004

Zolang er maar Gods zegen op rust

"Er is niets tegen waanzin, zolang er maar Gods zegen op rust, en er bovendien een systeem in zit. Het kan best waar zijn, dat er in mijn boeken 'geen normaal mens voorkomt', maar op dat verwijt verzoek ik de klager zulk een 'normaal mens' te gaan zoeken en, indien gevonden, aan mij te komen tonen."

Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.7

vrijdag, september 10, 2004

'Van belang is, of de mensen ze kopen.'

'Een ingenaaid boekwerk zonder enige versiering,'De Kaalhoofdigheid en Hare Bestrijding', heette na de behandeling 'Waarom Kaal Worden?' en deze tital was op het nieuwe omslag wit uitgespaard in de afbeelding van enige inboorlingen van een Zuidzee-eiland, die inderdaad formidabele haardossen rondtorsten. "Wie koopt er nu zo'n boek? Ik geloof niet dat er aan kaal worden iets te doen is", waagde ik eens, geheel onuitgenodigd te zeggen toen het mij onder ogen kwam. Mijn patroon liet mijn opmerking in haar volle onnozelheid tot zich doordringen, terwijl hij peinzend uit het raam tuurde. "Het is volstrekt van geen belang of handleidingen, borstels, massage-apparaten, groeimiddelen enige baat geven", zei hij toen zacht.
"Van belang is, of de mensen ze kopen."
Ik kon, tegenover zulk een diepe wijsheid, slechts beschaamd zwijgen.'

Gerard Reve, in Een Eigen Huis Amsterdam/Brussel MCMLXXIX p. 78,79

maandag, september 06, 2004

'hij in ons en wij in hem'

'Maar vermoedelijk was zelfs alles een illusie. God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhebben.'

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U, Amsterdam 1966 p.55

vrijdag, september 03, 2004

Niets en niemand kan hen scheiden van de Liefde Gods

'De eenzamen schrijf ik, als troost,dat God meer lijdt dan alle mensen tezamen, maar dat begrijpen ze maar zelden. Ook schrijf ik ze, dat niemand hen kan beletten een ander wezen lief te hebben -maar ook dat komt hen voor als een slag in de lucht. Dan schrijf ik ze -als ze zeuren over ouderdom en Dood - dat onze sterfelijkheid voorwaarde is van Gods eeuwigheid, en dat wij moeten sterven, opdat Hij leve.Dat vinden ze nog maller, maar als ik ze, als toegift op al die onzin nog schrijf dat niets en niemand hen kan scheiden van de liefde Gods, dat wil zeggen dat niemand, ooit, hen kan beletten God lief te hebben, dan is de maat vol, en vinden ze me een fantast en verkondiger van beuzelpraat.'

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders,
in de brief aan professor C.J.B.J. Trimbos van 11 februari 1966
Utrecht/Antwerpen 1985 p. 111

woensdag, september 01, 2004

'Het is als met de vioolkunst'



'Mijn geschiedenis is de geschiedenis van mijn leven, het is als met de vioolkunst: je denkt bij je eigen het is een lintje, maar het zijn allemaal gewoon paardeharen.'

Gerard Reve, in Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1991 p.120

zondag, augustus 29, 2004

'Wat ik begeer is zo mateloos'



'En ik ben vaak bang voor mijn fantasieën. Wat ik begeer is zo mateloos, dat het nog in geen honderd mensenlevens vervuld zou kunnen worden. Het zijn de dingen die God Zelf Zich nog niet eens zou kunnen veroorloven. Ik moet het te gelegenertijd maar allemaal opschrijven en aangetekend aan Provinciale Staten sturen.´

Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam /Antwerpen 1997 p. 87,88

vrijdag, augustus 27, 2004

Een ademtocht...

'Misschien ligt ergens in de komende etappe op weg naar het einde voor mij een waarachtig bestaan, waarin ik niets meer verwacht, en elke oppervlakkige genieting en illusie zal wegwerpen, en eindelijk waardig zal kunnen leven en sterven, God erend en liefhebbend, en me bij de zinledigheid van het bestaan neerleggend, maar wetend, dat ik in het werk, als ik met al mijn wanhoop en kracht probeer te schrijven, wellicht enkele ogenblikken een schaduw zal zien, een ademtocht zal voelen, een vaag, wegstervend geluid zal horen van hem die ik hoop eens in mijn leven, al is het maar enkele tientallen seconden, te mogen zien ' van aangezicht tot aangezicht'. Ik hoop, dat ik u niet treurig heb gemaakt, want ik houd van u allemaal, op mijn eigen, eenvoudige manier.'

Gerard Reve in: Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p. 137
 
Tweets van @Revetwalender