woensdag, november 15, 2006

Wiegelied



Jakob's Kampf am Pniel (1637)Theobaldikapelle Wernigerode

Wiegelied

Ik ging nuchter naar bed, en kon niet slapen.
Toen ik tenslotte sliep, dreunde het huis
en worstelde ik met iemand.
Niet tot de ochtend: toen ik weer wakker werd, was het
nog nacht.
Ook wist ik niets meer van een zegen.


Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p. 146

"Het begin van het fragment is eenvoudig: de held van het verhaal is dronken en strompelt naar huis, terwijl hij, vol goede voornemens, zichzelf moed inspreekt: 'Ik moest vechten - met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu.' Een heel oud, bijbels beeld*, waarbij men onmiddellijk denkt aan Jacob, die een gehele nacht strijdt met iemand die in sommige vertalingen een engel, in andere een man en in weer andere een mens wordt genoemd. Er is veel duisters in deze Bijbelplaats, maar één van de geldige betekenissen moet toch zijn, dat Jacob hier met God strijdt als met een immanent, onbewust want de nachtzijde van de ziel vertolkend Wezen, dat van Meester Slaaf moet worden om ten slotte, als Broeder, Jacob te zegenen."

Gerard Kornelis van het Reve in Vier Pleidooien, "Pleitrede Voor Het Hof" Amsterdam 1972, tweede druk p. 29

*Gen.32:22-32

woensdag, november 08, 2006

Niet voor niets geleefd

Als iemand door niets en niemand getroost kan worden... Niet door de grote Trooster, "Die met U zal zijn tot het einde der wereld", en niet door de grote Troosteres, ik bedoel de Moeder van God, als iemand er zo aan toe is...Ik uit geen kritiek op die goddelijke instanties, die nooit kunnen falen, maar het kan gebeuren. dat iemand de weg daarheen, en de toegang niet vinden kan... Maar als zo iemand dan door een boek van mij, door iets wat ik geschreven heb, getroost en gesterkt zou kunnen worden...Als dát mogelijk is, ja dan moet ik wel zeggen: "Ik heb niet voor niets geschreven. Ik heb niet voor niets geleefd."

Gerard Reve in: NRC Handelsblad 1 februari 1985

donderdag, november 02, 2006

Allerzielen


Kerkhof Blauwhuis foto © E.H.

Nadat we bij die en die gezeten hadden,
gingen we bij je weet wel nog wat drinken.
Dinges was er ook, en zong een lied
over een naamloos Graf van eeuwigheid.


Gerard Reve in Verzamelde Gedichten, Amsterdam 1987 p.54

dinsdag, oktober 24, 2006

'Een of ander verdriet, gemis of verlatenheid'



"In het midden van de boot, op de zeer ondiepe bodem, zat een jongen van naar schatting de leeftijd van Wallie. Noch de roerganger, noch de op het boord gezeten man keurde ons ook maar één blik waardig, maar de in het midden van de boot, met gekruiste handen over zijn opgetrokken knieën gezeten jongen keek ons aan. Hij was niet gekleed als de beide anderen, maar droeg een grijs met wit geblokte pullover, waaronder een kaki, openstaand hemd, en een bruine korte broek.
Het kon zijn, dat ik mij wederom van alles verbeeldde, maar de blik waarmede hij mij aankeek, en de trekken van zijn schuwe, bleke gezicht drukte, zo wilde het mij voorkomen, een of ander verdriet, gemis of verlatenheid uit. En bij die indruk, die op niets anders gegrond was dan op de korte flits van beschouwen terwijl we elkaar passeerden, voegde zich de gedachte dat hij, net als ik in de kano, zich tegen zijn zin in de boot bevond, en tegen zijn eigenlijke wil er zich met de beide anderen mede op het water begeven had."

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.229

zaterdag, oktober 21, 2006

Dagsluiting

maandag, oktober 16, 2006

'Wat valt er bij jou af te luisteren? '



Structureel geweld

Terwijl hij zijn 14de flesje pils uit de krat trekt
en met de wipper, zonder te kijken, kreunend openduwt
-zoals de orang oetan, zonder zijn blik van het publiek te wenden,
een pinda tussen duim en dierenvinger knappend pelt-
klaagt Hugo R. luid tot mij voort:
'Mijn lijn wordt afgetapt. Al maanden.'
'Je wàt wordt afgetapt?'
'Mijn telefoon. Ik word afgeluisterd: het klikt.'
'Ongehoord,' zeg ik, terwijl ik denk:
'Wat valt er bij jou af te luisteren? '


Gerard Reve in Het Zingend Hart Amsterdam 1973 p.35

woensdag, oktober 11, 2006

"In de spiegel van een duistere rede"



'God had het zo gesteld, dat ik veroordeeld of geroepen was, de enig werkelijke Liefde en geen andere te zoeken, waarbij ik haar nooit anders dan uit de verte zoude mogen zien, onherkenbaar vervormd 'in de spiegel van een duistere rede', en nooit 'van aangezicht tot aangezicht', en haar nooit zoude mogen aanraken, net zo min als enig mens God kon zien of aanraken en kon leven. Zo zat het en niet anders. Het was min of meer mijn hel, of op zijn minst mijn vagevuur, en onbegrijpelijk, mijn begrip en dat van ieder mens te boven gaand, maar Hij had het, in Zijn onmetelijke genade jegens mij, aldus beschikt, en daarom was het goed...In Hem 'bewoog' -ik grinnikte even bij dit woord, dubbelzinnig als het op dit ogenblik was- 'en leefde' ik, uitverkoren om op volmaakte wijze te mogen gehoorzamen aan Zijn wil. "Geloofd weze Zijn naam'..'

Gerard Reve, in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.182

dinsdag, oktober 10, 2006

'Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.'

Oost, West

Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.
Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen,
dat ik niet thuis ben.
Maar ik ben er wel.
Het is waarlijk juist en passend
dat ze denken dat ik niet thuis ben,
want ik wil alleen zijn, met U,
en tegen U praten en schreeuwen, al geeft U geen antwoord.

(1965)

Gerard Reve in Verzamelde Gedichten Amsterdam 1987 p.48

zondag, oktober 08, 2006

8 april 2006-8 oktober 2006
'De dood is een poort..'




"De dood is een poort. MENEER. En als je me vraagt: waarheen, dan weet ik het niet. De dood is geen zinloze ondergang, dat niet. Het klinkt mooi om te zeggen, dat door de dood het leven weer perspectief en diepte krijgt -ja. tel uit je winst. Misschien zijn de zuiverste gedachten over de dood ook wel de ellendigste en onverdraaglijkste, terwijl het toch de juiste gedachten zijn.
....
HET GAAT MIJ OM EEN ENKEL DING, maar het is toch vrij diep verborgen, wordt nog vrij diep verstopt... De joden mochten de naam niet uitspreken.
...
...
God
...
..."

Gerard Reve In Gesprek Interviews, Baarn 1983 p. 144, 146
Interview Jouke Mulders met G.K. van het Reve, "Ik moet werken, anders word ik gek" in Elseviers Magazine, 29 april 1972

zondag, oktober 01, 2006

'ik althans geloof niet meer in enige verlossing buiten Haar om...'

*Onze Lieve Vrouw ter Nood, Heiloo

"Greonterp, 14 september 1967

Lieve Bul,

Ik zoude donderdag graag een beleefdheidsbezoek willen afleggen bij mijn arts in Amsterdam, maar onderweg naar Amsterdam wilde ik nog twee andere dingen doen: 1. ergens in een park zeer veel rozenbottels oogsten, om er sjem van te maken; 2. langs Heiloo gaan, & het heiligdom van Maria ter Nood * bezoeken, en voor Haar twee kaarsen ontsteken. Het is bijna geen omweg. Ik gevoel dat ik Haar verwaarloos, terwijl toch Haar status niet veel verschilt van die van Haar Zoon: ik althans geloof niet meer in enige verlossing buiten Haar om, al mag je dat, geloof ik, nog niet hardop zeggen.
Erg dronken, in het geheim, maar afschuwelijk goed bij mijn verstand. Zo zie je. Uw toegenegen & getrouwe lange vriend
Gerard"

Gerard Reve, in Het Lieve Leven Amsterdam 1974 p. 26
'Enerlei adem en dezelfde stem. "



"Ik zweeg, Woelrat bewoog zich niet, en staarde naar het plafond. De stilte die inviel, begon zich te vullen met het verleden, en spoedig zou ik wederom moeten denken aan de doden. Het verleden rukte telkens verder op, en schoof nader: het scheen, of het probeerde ons in te halen, wat vreemd was, want het was immers ergens terugwaarts in de tijd geschied en zou daar, onbeweeglijk, voor immer dienen te blijven. De doden waren ver achter mij aan de kant van mulle wegen in donkere huiverende dennenwouden, in de naaldbedekte grond besteld, en de opgehoogde aarde van hunne graven was reeds verstoven en weggespoeld door wind en regen, en onvindbaar geworden. Niettemin marcheerden zij in onze rijen mede. Waren zij werkelijk wel gedoden, en hadden wij eigenlijk niet met hen 'enerlei adem' en dezelfde stem? Zij klaagden, beschuldigend en verwijtend, de doden, hardnekkig iets bewerend waarmede niemand het eens of oneens kon zijn, en hunne stemmen waren van eenzelfde hese klacht als de onze."

Gerard Reve, Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1994, vierde druk p. 9
Beginpassage van hoofdstuk I Het Volle Leven

woensdag, september 27, 2006

‘,,,of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren.’


Diederik van Vleuten - Kroontjespen Gerard Reve

“…ik weet niet, wat wezenlijk en beslissend is geweest in mijn leven, en wat niet. Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dit leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid en geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.
Wat ik hier vermeld, geldt wellicht gelijkelijk voor elk mensenleven. Het menselijk leven kan slechts zin en duiding verkrijgen door de goddelijke genade, en die genade onttrekt zich aan de zeggenschap en de kennis van mensen: aldus weet ik niet en zal ik nooit weten, of mijn leven deze zin en duiding ooit, door wie dan ook, te vinden en aan te wijzen zou zijn.
Waarom dan beschrijf ik een leven, waarin ik geen duiding of zin kan ontdekken? Ik zou het niet kunnen zeggen, of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren.”

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 9 (proloog)

zondag, september 24, 2006

'Op de rug van een grote vis gezeten, naar de Maan..'
Een droom


"Toen ik acht of negen jaar oud was, of misschien zelfs nog jonger, had ik een droom, die mij, mogelijk nog door zijn sprookjesachtig karakter, tot in ieder detail is bijgebleven. In mijn droom reisde ik, schrijlings op . De Maan ontving mij zeer vriendelijk, en na afloop van mijn bezoek vergezelde zij mij huiswaarts. De grote vis hield in de lucht stil voor het raam van een bovenverdieping van de ouderlijke woning, waar, aan de straatzijde, mijn vader zijn werkkamer had. Het raam van zijn kamer was gesloten, maar niettemin tilde de Maan mij van de rug van de vis, en probeerde ze mij door het gesloten raam heen de kamer binnen te zetten. Haar pogingen mislukten uiteraard, en ze liet me vallen. Ik belandde op de grond van de voortuin, en hier hield de droom op, want ik werd wakker."

Gerard Reve in Brieven aan mijn Lijfarts, Amsterdam/Antwerpen 1992 p. 153

donderdag, september 21, 2006

Herfstdraden



'Een paar kleine boombladeren, kennelijk door de wind meegevoerd uit een nabijgelegen park, dwarrelden neer in de binnenplaats, Ze werden op hun tocht naar beneden vergezeld door enige dunne, stofachtige draden. "Waarom kunnen ze hun stof niet aan de voorkant boven de straat uitslaan? ", zuchtte ze. "Vuile varkens."
"Hè?", vroeg John.
"Smerig tuig is het allemaal," zei ze bitter, terwijl ze omhoog keek en met haar hand een gebaar maakte naar het plafond. "Kijk al dat stof eens dat naar beneden komt! Ze nemen niet eens de moeite om te kijken of iemand zijn ramen of deuren openstaan." Opnieuw daalde er een aantal van dezelfde grijze, dunne draden neer. John volgde ze met zijn ogen.
'Dat is geen stof, Mana, ' zei hij, scherp naar buiten turend. 'Het is dat spul dat van de bomen komt.'

G.K. Van het Reve, in Herfstdraden, Amsterdam 1967 p. 35

dinsdag, september 19, 2006

Prinsjesdag 2006
'Majesteit'


"Ik leef en schrijf voor mijn volk, Majesteit.
Ik wil niet anders zijn dan de zanger van mijn geliefde land."

Gerard Reve in de Taal der Liefde Amsterdam 1972 p. 226

maandag, september 18, 2006

'Zo lief, zo rood, zo vol, maar ook zo laag'



"Mens en Kosmos

Uit het kafee gekomen, zagen we dat de Maan er weer prima bijstond
Zo lief, zo rood, zo vol, maar ook zo laag:
een kwestie van een trapleer of op iemands schouder staan, meer niet."


Gerard Reve, in Het Zingend Hart Amsterdam tweede druk 1973 p.15

zondag, september 17, 2006

'...zulk een betoverende nacht...'



"Een paar dagen was het zulk een betoverende nacht, zulke heb je ongeveer een à twee keer per week: zo helder, dat je op Gibraltar een bloempot in de vensterbank zou moeten kunnen zien, indien je ogen opties die afstand, ik denk een kilometer of acht, aankonden, en met een goede teleskoop zou je, ongehinderd door enige waterdamp of trilling, een vlieg op een raam moeten kunnen zien zitten. In zulke nachten openbaart zich God, en de Maan is dan geel, als messing, terwijl Venus niet een felle ster is, zoals bij ons, maar een heel klein maantje, ik bedoel dat zij niet twinkelt, maar duidelijk volume heeft, als je begrijpt wat ik bedoel. Ook koelt het dan heerlijk af, tot wel 26 of 27 graden Celsius denk ik. In het hotel duurt het langer, en eigenlijk kun je pas naar bed en echt je moe uitstrekken en je laken plus sprei bovenop je verdragen als het vier uur in de morgen is geworden."

gerard Reve in Brieven aan Josine M. 1959-1975 Amsterdam eerste druk 1981 p.56

donderdag, september 14, 2006

'Met een zekere weemoed..'



"Met een zekere weemoed denk ik aan andere feesten, die hier eens gehouden zijn: dat van werkelijk wel een jaar of drie geleden, toen Oofi, op het feest van jaar jaardag, hartje zomer, omtrent drie uur smorgens, midden in het feestgedruis, in een hoogst patetiese geste ( net als ‘werkers’ die te veel Russiese films hebben gezien, bij een door de politie onder vuur genomen straatdemonstratie, dat met hun overhemd doen) een fraaie, roze hemdjurk van voren, als de voorhang van een Tempel, integraal in tweeën scheurde, waarna haar schaamte slechts verhuld kon worden door twee vriendinnen, die haar snel met mantels bedekten en afvoerden naar een kamertje waar een bed stond met slechts een lege matras erop, en waar ik haar, voortdurend omvallend, probeerde te troosten door haar de Ware Natuur Gods uit te leggen, terwijl zij in haar kleding een of ander geheim papier probeerde te vinden, en waar, ter chaperonnering, elke vijf minuten even zorgzame als wantrouwende vriendinnen binnenkwamen; van welk feest ik, bij het allereerste, schemerige ochtendkrieken, mij uitsluitend op de zon oriënterend, dwars door villatuinen, lege zwembassins, rietpercelen en weilanden waar paarden en hoornvee aan mij kwamen ruiken zonder mij kwaad te doen, er in slaagde de rijksweg te bereiken, onderweg een wit, houten bord op een paal waargenomen hebbend welks opschrift WERKDROGER 11, of een tekst van gelijke strekking, mij tot op deze dag is blijven intrigeren; waarna een met aluminium beklede vleesauto uit Herenveen, op weg naar het abattoir van Amsterdam, mij meenam, zodat ik al om zeven uur thuis was."

Gerard Reve in Op Weg Naar Het Einde Amsterdam 1963 p.50,51

Zie ook mijn Gerard Reve Weblog over deze zin.

woensdag, september 13, 2006

'Geoudehoer'

"Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust, dat is wat ik altijd zeg. Trouwens, alsof het niet juist de kleine, zo vaak onopgemerkt blijvende en te weinig gewaardeerde dingen in het leven zijn, die dit zijn inhoud geven! "

Gerard Kornelis van het Reve, Op Weg Naar Het Einde, Amsterdam 1963 p.48, 49

maandag, september 11, 2006

Plukarbeid (2)



"Onder of boven nul, dat maakt een groot verschil. De ganse natuur verandert erdoor heb ik ergens gelezen. Nog geen drie dagen geleden zag de schepping er inderdaad totaal anders uit, toen ik, na mijn thuiskomst van een lezing in G., de twee van de echtgenote van de plaatselijke veearts ten geschenke gekregen houtsnippen, buiten, want zulk zacht weer was het, op een bank aan de haven, ben gaan zitten plukken, op een punt dat vele aanhangers van de Griekse beginselen tot centrum van hun namiddaglijk en avondlijk jachtterrein dient; waar zich dan ook, tegen half vier, een zeer fraaie en begeerlijke danser vertoonde doch mij, vanwege mijn plukarbeid, seksueel niet wist te interpreteren."

Gerard Kornelis van het Reve, Op Weg Naar Het Einde, Amsterdam 1963 p.48
 
Tweets van @Revetwalender