"Dat is het beangstigende van deze tijd, dat niemand meer bereid is, ter wille van een ander iets na te laten, of ergens vanaf te zien."
Gerard Reve in De taal der liefde 1972
"Dat is het beangstigende van deze tijd, dat niemand meer bereid is, ter wille van een ander iets na te laten, of ergens vanaf te zien."
Gerard Reve in De taal der liefde 1972
“Je kunt beter ‘eenzaam worstelen’ en in stilte lijden en een voortdurend tobbende bangerd zijn. Daarmede vertolk je het algemeen menselijke.”
Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1982
Ontvangen bericht:
Bij Scholieren.com zijn wij in het bezit gekomen van een grote oplage boeken van Gerard Reve. Wij hebben besloten deze gratis weg te geven aan geïnteresseerden. Als mensen de moeite willen nemen om ons kantoor in Utrecht te bezoeken, krijgen ze van ons een stapel boeken mee.
Mail naar: oscar@scholieren.com
Onder andere de volgende bioeken:
- Bezorgde ouders
- Het hijgend hert
- De taal der liefde
- Lieve Jongens
- Brieven aan Bram P.
- Vier wintervertellingen
https://www.scholieren.com/blog/9855/vier-bijzondere-feiten-over-opperschrijver-gerard-reve
‘Wij zijn onsterfelijk en eeuwig, maar we hebben daar in ons leven weinig aan, behalve dat je het wat kalmer aan kunt doen dan iemand die denkt dat hij echt bestaat en daarom ook echt moet sterven.’
Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975, Veen, Uitgevers Utrecht MCMLXXXIII p. 78
"Met een zekere weemoed denk ik aan andere feesten, die hier eens gehouden zijn: dat van werkelijk wel een jaar of drie geleden, toen Oofi, op het feest van jaar jaardag, hartje zomer, omtrent drie uur smorgens, midden in het feestgedruis, in een hoogst patetiese geste ( net als ‘werkers’ die te veel Russiese films hebben gezien, bij een door de politie onder vuur genomen straatdemonstratie, dat met hun overhemd doen) een fraaie, roze hemdjurk van voren, als de voorhang van een Tempel, integraal in tweeën scheurde, waarna haar schaamte slechts verhuld kon worden door twee vriendinnen, die haar snel met mantels bedekten en afvoerden naar een kamertje waar een bed stond met slechts een lege matras erop, en waar ik haar, voortdurend omvallend, probeerde te troosten door haar de Ware Natuur Gods uit te leggen, terwijl zij in haar kleding een of ander geheim papier probeerde te vinden, en waar, ter chaperonnering, elke vijf minuten even zorgzame als wantrouwende vriendinnen binnenkwamen; van welk feest ik, bij het allereerste, schemerige ochtendkrieken, mij uitsluitend op de zon oriënterend, dwars door villatuinen, lege zwembassins, rietpercelen en weilanden waar paarden en hoornvee aan mij kwamen ruiken zonder mij kwaad te doen, er in slaagde de rijksweg te bereiken, onderweg een wit, houten bord op een paal waargenomen hebbend welks opschrift WERKDROGER 11, of een tekst van gelijke strekking, mij tot op deze dag is blijven intrigeren; waarna een met aluminium beklede vleesauto uit Herenveen, op weg naar het abattoir van Amsterdam, mij meenam, zodat ik al om zeven uur thuis was."
Gerard Reve in Op Weg Naar Het Einde Amsterdam 1963 p.50,51
1 Eenvoud
U moet helder, en zo eenvoudig mogelijk schrijven: nooit iets ingewikkeld maken, wat eenvoudig is. Geen moeilijke woorden gebruiken zoals depersonificatie, frustratie, libido e.d.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126
2. Onderwerp
Voorts moet U niet denken, dat U het onderwerp buiten Uw eigen leven en gezichtskring zoudt moeten zoeken. Dus niet het eerste hoofdstuk laten spelen in Brussel, het tweede in Hongkong, ect. Kijkt U eens uit het raam, en telt U eens de woningen die U zien kunt: dat getal is het aantal menselijke dramaas, dat voor het grijpen ligt. Zoals God in ons woont, of nergens, zo draagt U Uw onderwerp in Uzelf mede – Het is niet buiten U, nergens. U moet niet, wat Uzelf hebt doorgemaakt, te gering achten om neer te schrijven, maar U moet ook niet denken, dat wat U doorleefd hebt, uniek is. Alles is reeds ontelbare malen, eerder geweest en gebeurd.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126
3. Begrijpelijk schrijven, met een kop en een staart
Voorts moet U begrijpelijk schrijven, met een kop en een staart. Bijvoorbeeld niet beginnen met: ‘Daarom ging hij niet naar het feest’, want de lezer zal meteen de spet inkrijgen en zich afvragen: ‘Waar slaat dat “daarom” op? Wie is die “hij”? en wat is dat voor een kolerefeest? U zoudt bijvoorbeeld kunnen beginnen met: ‘Hoewel hij weinig zin had, en zich grieperig voelde, ging Frans Ottersen, scholier van de vijfde klas van het gymnasium in Zwolle, toch naar het feestje dat zijn broer Hans, eerstejaars-student in de medicijnen, die op kamers in Amsterdam woonde’, ect. Alles zo eksakt mogelijk: hoe meer vastgelegd in de tijd Uw gegevens zijn – eventueel zelfs met precieze data – hoe tijdlozer Uw geschrift wordt, merkwaardigerwijs.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126,127
4. Vul uw werk niet met zelfbeklag
Vul uw werk niet met zelfbeklag: U moet Uw ellende gebruiken, verwerken, dienstbaar maken aan Uw werk, en niet medelijden proberen te wekken bij Uw lezer. Die heeft zelf al ellende genoeg en wordt er door afgestoten. Maar als U Uw leed door Uw geschrift een universele geldigheid zoudt weten te geven, dan ervaart de lezer zijn eigen treurnis ook als iets groots, universeel geldigs en kostbaars en is hij U dankbaar.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 127
5. Wees scherp in Uw blik, doch mild in Uw oordeel
Verder geldt Tolstojs vermaning: ‘Wees scherp in Uw blik, doch mild in Uw oordeel.’ Verdoezel niets, maar zie hen, die U kwaad hebben gedaan -als U dat kunt opbrengen- als slachtoffers van eenzelfde lot. En misbruik Uw werk niet om wraak te nemen op mensen, die niet schrijven en zich niet verweren kunnen…Daar is literatuur niet voor, vind ik.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 127
'Ik behoef niets te verzinnen. Wel heb ik in mijn werk de werkelijkheid wel eens moeten afzwakken, omdat zij ongeloofwaardiger kan zijn dan de stoutste fantasie.'
Gerard Reve, in Verzameld Werk Deel 5 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.485
"Ze doen maar. Je werkt in een vacuüm hier, vind ik, en dat valt niet mee. En altijd dat gezeur over de 'duffe, gearriveerde kleinburger'! Wat kan men anders zijn? Ik leef, en schrijf, en profeteer in de huiskamer, en soms schrijf ik het op, en ik probeer niemand in het dorp aanstoot te geven en betaal alles op tijd, en praat met mijn mededorpelingen over het weer, het gewas, hun hoenders, konijnen en ander vee, en hoor hoe Sipke Lolkema toen ze erg ziek was, 45 jaar geleden, heel dure appels kreeg, en dat de nu in de winter van 1962/1963 doodgevroren boom in haar tuin ontsproten is aan een pit van één van de appels, die ze zag dat een kiem had, en daarom ging planten toen ze beter geworden was. Maar waarom al die herrie, en laat opblijven, en burengerucht maken, en eenvoudige hardwerkende arbeiders en kleinen neringdoenden kwalijk bejegenen?
Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen 1985 p.20
Gerard Reve in: Klein gebrek geen Bezwaar
“Alles is uit de Liefde ontstaan", begon ik Tweede Prijsdier uit te leggen. "Het is niet zo, dat de Liefde één van Gods atrributen is, maar de Liefde is God zelf. Toen er nog niets was, was reeds de Liefde. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde, onderling vervangbaar, en identiek. Als je het opschrijft, staat het meteen op papier ook.”
Gerard Reve, in Nader tot U Amsterdam 1966 p.85,86
Ik dacht aan de kans –nu ja, het was wel zeker- dat er op één zulk een ster net zulk een jongetje woonde als ik, dat net zo naar mij verlangde als ik naar hem, maar dat die eenzame lieverd, ook al zoude hij met een zaklantaren mij in morse zijn liefdesboodschap toezenden, mij nooit zoude bereiken omdat zijn signaal duizenden jaren nodig zoude hebben om de aarde te bereiken, door de traagheid van het licht.”
Gerard Reve in Zondagmorgen zonder zorgen ( Amsterdam/Antwerpen 1995 p.101 (in ‘Koop een Papegaai’, brief aan Rudi Kousbroek)
"De mensen onderschatten het symbool. Je hoort de mensen zo vaak spreken, dat is maar symbool, terwijl het symbool veel groter is dan de tastbare werkelijkheid, veel omvattender. Dat is het treurige, dat de mensen zo beperkt zijn, zo'n klein Godsbegrip hebben, dat ze zich bedreigd voelen, als je als symbool een bepaald dier kiest of een bepaalde relatie, een bepaalde sexuele handeling symboliseert....God is het meest wezenlijke, het meest weerloze, het meest ontoegankelijke in onszelf.God is de allesdoordringende, alles verzoenende, alles éénmakende liefde, die alle verstand te boven gaat. Dat is God. God is geen ding. God is het enige wezen, dat het bestaan niet nodig heeft om zich te openbaren. Het Koninkrijk Gods is binnen in u, dat staat er hè."
Gerard Reve, in Schoon Schip 1945-1984 Amsterdam MCMLXXXIV p.169
“Denken, dat werkt vroegtijdige kaalhoofdigheid in de hand, door verdroging van de schedelhuid. Ik denk bijna nooit, als het even kan. En kijk evengoed eens naar dat prachtige pakket inheems haar van me. God heeft ook prachtig haar, waar ik heel trots op ben. Ik denk, dat God een Vrouw is. Hij heeft in ieder geval het betoverende van een beeldschone jonge vrouw, die des morgens water schept uit de rivier.”
Gerard Reve, Verzameld werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001, p.585
Gerard Reve in Brieven aan mijn lijfarts 1963-1980 Amsterdam/Antwerpen 1991 p.93
"Trouwens, alsof het niet juist de kleine, zo vaak onopgemerkt blijvende en te weinig gewaardeerde dingen in het leven zijn, die dit zijn inhoud geven! Alsof ik het zelf helpen kan, dat ik de herinnering, onuitwisbaar, van bijna negen en twintig jaar geleden met mij meedraag, toen een vrouw, op een woensdagmiddag in oktober, in de portiek van Ploegstraat 109, 111, of 113 -ik vertrouw dat de lezer mij terzake van het exacte huisnummer niet zal bemoeilijken, want men kan toch bezwaarlijk eisen dat ik het in dit weer, met mijn zieke lichaam, ga verifiëren -bij een herfstige, droge atmosfeer en een lauwe, onstuimige wind (opnieuw het 'weer van alle mensen', tegen een andere vrouw opmerkte: 'Veel groente en weinig aardappelen, dat eet voor een man niet zo lekker.'"
Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg Naar het Einde, Amsterdam 1966 p. 53
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze kunnen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd. 'Zie hen,' fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten , is leegte. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.' Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.195
'Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van het bed zitten. 'Je bent mijn lief, goed konijn,' zei hij hardop, 'zo is het. Trek je er niets van aan.' Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. 'Bah,' zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer tevoorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. 'Het is hier koud,' zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan. "De avond is gekomen,' mompelde hij.
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.139
'Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging van de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. 'De stroom heeft mij nog niet gegrepen,' dacht hij. 'ik moet het proberen.' Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde erboven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.
Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.'
Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.135
'Het was nacht,' zei hij, 'stikdonkere nacht.' 'Ik kan natuurlijk de radio aanzetten,' dacht hij, 'maar of ik er verstandig aan doe, is de vraag.'
Hij schakelde het toestel in.
'U hoort de tweede romance van Schumann,' zei de omroepster. Frits wachtte en liet de rook van de sigaret langs zijn nagels strijken. 'Hoort, hoort,' dacht hij, toen de muziek begonnen was. Hij legde de sigaret op de zakpijp, hield de toppen van duim en ringvinger op de ooghoeken en haalde voorzichtig adem. 'Zo is het,' fluisterde hij ...
Een dame ging aan een vleugel zitten, die dicht bij hen stond. De pick-up hield op en de dansparen wachtten. 'Vooruit,' werd er geroepen. 'Dit is het cowboylied Sluit Me Niet Op,' zei Jaap, toen de pianiste begon. Hij maakte met hoofd en hals de bewegingen van een drinkende vogel. 'Toen ik klein was,' zei Frits, 'kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.' Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.'Luister,' zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. 'Ben ik te ernstig?' 'Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,' antwoordde Viktor.'Geloof je, dat wetenschap wezenlijke betekenis heeft' vroeg Frits.Viktor zweeg.De pianiste begon een andere melodie. 'Die ken ik,' zei Frits, 'dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.' Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten de maat op zijn knieën. 'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.' "
Gerard Kornelis van het Reve De Avonden, Een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.98, 111