vrijdag, augustus 01, 2014

Het wezen van de schrijfkunst




1 Eenvoud

U moet helder, en zo eenvoudig mogelijk schrijven: nooit iets ingewikkeld maken, wat eenvoudig is. Geen moeilijke woorden gebruiken zoals depersonificatie, frustratie, libido e.d. 

Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126



2. Onderwerp

Voorts moet U niet denken, dat U het onderwerp buiten Uw eigen leven en gezichtskring zoudt moeten zoeken. Dus niet het eerste hoofdstuk laten spelen in Brussel, het tweede in Hongkong, ect. Kijkt U eens uit het raam, en telt U eens de woningen die U zien kunt: dat getal is het aantal menselijke dramaas, dat voor het grijpen ligt. Zoals God in ons woont, of nergens, zo draagt U Uw onderwerp in Uzelf mede – Het is niet buiten U, nergens. U moet niet, wat Uzelf hebt doorgemaakt, te gering achten om neer te schrijven, maar U moet ook niet denken, dat wat U doorleefd hebt, uniek is. Alles is reeds ontelbare malen, eerder geweest en gebeurd.

Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126

3. Begrijpelijk schrijven, met een kop en een staart

Voorts moet U begrijpelijk schrijven, met een kop en een staart. Bijvoorbeeld niet beginnen met: ‘Daarom ging hij niet naar het feest’, want de lezer zal meteen de spet inkrijgen en zich afvragen: ‘Waar slaat dat “daarom” op? Wie is die “hij”? en wat is dat voor een kolerefeest? U zoudt bijvoorbeeld kunnen beginnen met: ‘Hoewel hij weinig zin had, en zich grieperig voelde, ging Frans Ottersen, scholier van de vijfde klas van het gymnasium in Zwolle, toch naar het feestje dat zijn broer Hans, eerstejaars-student in de medicijnen, die op kamers in Amsterdam woonde’, ect. Alles zo eksakt mogelijk: hoe meer vastgelegd in de tijd Uw gegevens zijn – eventueel zelfs met precieze data – hoe tijdlozer Uw geschrift wordt, merkwaardigerwijs.

Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 126,127


4. Vul uw werk niet met zelfbeklag

Vul uw werk niet met zelfbeklag: U moet Uw ellende gebruiken, verwerken, dienstbaar maken aan Uw werk, en niet medelijden proberen te wekken bij Uw lezer. Die heeft zelf al ellende genoeg en wordt er door afgestoten. Maar als U Uw leed door Uw geschrift een universele geldigheid zoudt weten te geven, dan ervaart de lezer zijn eigen treurnis ook als iets groots, universeel geldigs en kostbaars en is hij U dankbaar.
Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 127

5. Wees scherp in Uw blik, doch mild in Uw oordeel

Verder geldt Tolstojs vermaning: ‘Wees scherp in Uw blik, doch mild in Uw oordeel.’ Verdoezel niets, maar zie hen, die U kwaad hebben gedaan -als U dat kunt opbrengen- als slachtoffers van eenzelfde lot. En misbruik Uw werk niet om wraak te nemen op mensen, die niet schrijven en zich niet verweren kunnen…Daar is literatuur niet voor, vind ik.

Gerard Reve, in Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p 127







dinsdag, juli 29, 2014

Ziek worden en sterven..

"Ziek worden en sterven, daar behoeven we ons niet mede te bemoeien, want dat gaat vanzelf"

Gerard Reve in Klein gebrek geen bezwaar 1986

Dat is het beangstigende van deze tijd


"Dat is het beangstigende van deze tijd, dat niemand meer bereid is, ter wille van een ander iets na te laten, of ergens vanaf te zien."

Gerard Reve in De taal der liefde 1972

maandag, juli 28, 2014

Bestaan

 
"Ons bestaan is niet meer dan een tasten en zoeken."


Gerard Reve in Brieven aan Wim B. 1983

maandag, december 24, 2012

"Maar wel geloof ik in het Licht,.."


Of de duisternis het Licht ooit wel zal begrijpen, daaraan moet ik diep en bitter twijfelen. Maar wel geloof ik in het Licht, en dat het schijnt in de duisternis, in alle eeuwigheid.

Gerard Reve, in Verzameld Werk , deel 6, Amsterdam/Antwerpen 2001, p. 437 (Een mooi feest)

zaterdag, oktober 20, 2012

Gode welgevallig

" Ook het leven van een oude man of vrouw met een poes en geranium achter het raam, die twee keer per dag een blokje om wandelt, en verder alleen verder alleen maar wat leest en peinst, is Gode welgevallig."  

Gerard Reve in brief aan Ludo Pieters 4 januari 1986

vrijdag, oktober 12, 2012

Toch goed dat er een God is

ROEPING

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet 's avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Gerard Reve

woensdag, januari 04, 2012


 Lichtpuntje 

Het gebeurt maar zelden, dat je voor een ander een lichtpuntje bent, maar als je het eens, een enkele keer vergund wordt om goed te doen, dan dank je je Schepper.

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966

vrijdag, november 04, 2011

Op weg naar het einde

" O lieve, lieve mensen, ik houd van u, en ik omhels u allen hartstochtelijk, ondanks de geduchte afstand. Laten we elkaar niet haten, maar integendeel, elkaar liefhebben, gezamenlijk op de Dood wachten, en het ons in de tussentijd aan niets laten ontbreken."

Gerard Kornelis van het Reve, in Op weg naar het einde Amsterdam 1963 p.166

zaterdag, mei 28, 2011

"Maar gewoon kop op hoor."

" De tijden zijn heel moeilijk, weet je dat? En onze leeftijden ook. Wij hebben in het geheel niets meer om op te vertrouwen, behalve op Gods Genade, en niemand weet wat en hoeveel of hoe weinig dat is. Maar gewoon kop op hoor."

Gerard Reve in Brieven aan Simon Carmiggelt Amsterdam 1988 p.160

maandag, mei 02, 2011

Credo

Niets te verwachten, niets te hopen:
er rest mij niets dan duisternis en Dood.
Ik zie het, maar ik wankel niet: wie Gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn Bloed.

Gerard Reve, in Verzamelde Gedichten Amsterdam 2002 vijfde druk p.63

vrijdag, oktober 08, 2010

'Ware sterkte en moed zijn zachtmoedig..'

"Ware sterkte en moed zijn zachtmoedig, kijk bijvoorbeeld naar mijn patroon, de Olifant, die sterker is dan zowat welk ander dier ook, en nochtans Content is zich te voeden met nederige kruiden des velds, en geen ander wezen Kwaad wil doen, of ze moeten hem sarren, en dan staat hij in het gelijk: meteen van je afslaan, dat zeg ik altijd."

Gerard Reve in: Brieven aan Ludo P. 1962-1980 Amsterdam 1968

woensdag, juni 16, 2010

Zodat je, bij wijze van spreken, nergens meer naar toe hoeft

"Als God eenmaal "alles in allen" zal zijn, moet dat volgens mij inhouden, dat iedereen zich binnen beloopbare afstand zal bevinden, zodat je, bij wijze van spreken, nergens meer naar toe hoeft...

Gerard Kornelis van het Reve in Op weg naar het einde Amsterdam 1963 p.68

donderdag, december 31, 2009

'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.'

'Ik leef,' fluisterde hij, 'ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.' Hij liep terug naar de keuken, voltooide het poetsen en betrad zijn slaapkamer. 'Konijn,' zei hij, het konijn op de arm nemend, 'je straf is ingetrokken, gezien je grootste verdiensten voor de zaak. 'Hij zette het dier op de schrijftafel, sloot de gordijnen en begon zich uit te kleden. Toen hij gereed was, trommelde hij zich met de vuisten op de borst, en betastte zijn lichaam. Hij kneep in het vel van de nek, in de buik, de kuiten en de dijen. ' Alles is voorbij,' fluisterde hij, 'het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.' Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. 'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.

Simon van het Reve, De Avonden,een winterverhaal Amsterdam 1947 p.237
"Uit de diepten heb ik geroepen.."

" 'Uit de diepten heb ik geroepen,' zei hij bij zichzelf, 'maar mijn stem is niet gehoord. Bessen-appel. Nu ga ik op weg naar huis. Eeuwige, enige, onze God, ik ga naar mijn ouders.' Zijn ogen werden vochtig.
'Eeuwige, enige, almachtige, onze God,' zei hij zacht, 'vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af.' 'Luister,' zei hij, 'mijn vader is doof als de pest. Hij hoort weinig, het is niet de moeite van het noemen waard. Schiet voor de grap een kanon bij zijn oor af. dan vraagt hij, of er gebeld wordt. hij slurpt bij het eten. Hij schept suiker met de dessertlepel. Hij neemt het vlees in zijn vingers. Hij laat winden, zonder dat iemand er een nodig heeft. Hij weet niet, waar de gulden in moet. Als hij een ei pelt, weet hij niet, waar de schaal heen moet. Hij vraagt in het Engels, of er nog nieuws is. Hij mengt het eten op zijn bord door elkaar. Eeuwige
God, ik weet, dat het niet ongezien is gebleven.'
Er passeerde hem een groep van zes meisjes, die naast elkaar gearmd, nu eens hard holden, dan weer hun vaart inhielden. 'Hij morst bij het uitkloppen van zijn pijp,'  fluisterde hij, toen ze voorbij waren. 'Hij maakt postzegels weg. Niet expres, maar hij maakt ze weg. Je bent ze kwijt, en daar gaat het toch maar om. Hij veegt zijn vingers af aan zijn kleren. Hij zet de radio af. Als ik sol zeg met de vork, denkt hij, dat ik gek ben. En hij prikt in de schalen. Dat is onrein. En vaak heeft hij geen das aan. maar groot is zijn goedheid.' Hij bleef staan en tuur over het water. 'Zie mijn moeder,' zegt hij zacht. 'ze zegt, dat ik gezellig thuis moet blijven. Dat ik de witte slipover aan moet doen. Ze bakt oliebollen met verkeerde stukjes appel. Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens uitleggen. Zij maakt de kachel aan met een heleboel rook. En ze heeft de zoldersleutels laten verbranden. Almachtige, eeuwige, ze dacht dat ze wijn kocht, maar het was vruchtensap. De lieve, de goede. Bessen-appel. Ze gaat met haar kop heen en weer. Ze is mijn moeder. Zie haar onmetelijke goedheid.'  Hij veegde met zijn mouw een traan uit zijn rechterooghoek en liep verder.
'Duizend jaren zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert, en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze komen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd.
'Zie hen,'  fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. waar ze om zich heen tasten, is leegte. Hun lichamen zijn een prooi van het verval. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee, kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.' 
Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.' Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. in de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. 'Goedenavond,'  zei Frits. 'Zo, mijn jongen,'  antwoordde de man. 'Hoe kan iemand zo'n uitpuilende buik krijgen?'  dacht Frits. 'Een zwangere huisknecht.'  'Almachtige God,' zei hij bij zichzelf, 'zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en onderbroek uit één stuk? Hansop, geloof ik.'  Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onder aan de rug, was een lange, vertikale spleet, die open stond. 'Ik kan zijn reet zien,' dacht hij. ' De klep om te kakken staat open.' 'Almachtige God,'  zei hij bij zichzelf, 'zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.' "


Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, Een Winterverhaal, Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p. 194, 195

vrijdag, december 25, 2009

"Ik heb Kerstmis altijd een mooi feest gevonden, maar ook een erg treurig feest..."



foto © E.H. augustus 2006 Notre Dame de Bethleem, Abbatiale de Saint Jean aux Bois

" Ik heb Kerstmis altijd een mooi feest gevonden, maar ook een erg treurig feest. daaraan moet ik wel toevoegen, dat ik geen feest ken, dat niet een treurig feest is.
Over Kerstmis heb ik zelden of nooit iets gelezen, dat niet om de zaak waar het om gaat, dom, handig of huichelachtig heendraaide.
Ik vat de Schrift ernstig op, maar niet letterlijk, en ik acht het vasthouden aan de historiciteit van het evangelie -zoals eertijds aan die van het paradijsverhaal- een ernstige bedreiging van het voortbestaan van het christendom. Wel buig ik mij voor het Mysterie van de onmetelijke en levendmakende waarheid, die in het evangelieverhaal wordt vertolkt.
Het verhaal leert ons, dat de menswording geen geringe opdracht is; dat, wanneer de Waarheid geboren moet worden er voor haar geen plaats is, noch in een huis, noch in een zo onpersoonlijk verblijf als een logement: de bevalling moet plaatsvinden in een stal, in aanwezigheid van de twee nederigste en meest onderworpen dieren. Ik acht het van nog diepere betekenis, dat deze Geboorte bovendien onwettig is en dat God geboren moet worden uit een ongehuwde moeder.
Of de duisternis het Licht ooit zal begrijpen, daaraan moet ik diep en bitter twijfelen. Maar wel geloof ik in het Licht dat schijnt in de duisternis, in alle eeuwigheid."

Gerard Reve Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.436, 437 (oorspronkelijk verschenen in De Strijdkreet, kerst 1969)


*foto E.H. augustus 2006 Notre Dame de Bethleem, Abbatiale de Saint Jean aux Bois

woensdag, december 23, 2009

De Avonden (dag 2)

"Wij deinzen voor niets terug", zei hij hardop. "Het zou kinderachtig zijn weg te blijven. De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden."

Simon van het Reve, De Avonden, een winterverhaal, Amsterdam eerste druk 1947 p.30

dinsdag, december 22, 2009

De Avonden (dag 1)

“Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing…”

Simon van het Reve, De Avonden, een winterverhaal, Amsterdam eerste druk 1947 p. 5
 
Tweets van @Revetwalender