vrijdag, december 31, 2004

De Avonden 10
'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren'




'Duizend jaar zijn voor u als de dag van gisteren,' ging hij voort, 'en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze kunnen in een urn: daar betalen we elke week voor.' Hij schudde het hoofd.
'Zie hen,' fluisterde hij. 'Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten , is leegte. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.'
Hij had de huisdeur bereikt. 'Vrede,' dacht hij, 'het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.195

donderdag, december 30, 2004

De Avonden 9
'De avond is gekomen'


'Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van het bed zitten. 'Je bent mijn lief, goed konijn,' zei hij hardop, 'zo is het. Trek je er niets van aan.' Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. 'Bah,' zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer tevoorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. 'Het is hier koud,' zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan.
"De avond is gekomen,' mompelde hij.

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.139

woensdag, december 29, 2004

De Avonden 8
'De stroom heeft mij nog niet gegrepen'


'Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging van de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. 'De stroom heeft mij nog niet gegrepen,' dacht hij. 'ik moet het proberen.' Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde erboven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.
Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.135

dinsdag, december 28, 2004

De Avonden 7
Een mens is een gevoelig wezen.'




'Toen ik klein was,' zei Frits, 'kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.' Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.
'Luister,' zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. 'Ben ik te ernstig?' 'Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,' antwoordde Viktor. 'Geloof je, dat wetenschap betekenis heeft?' vroeg Frits. Viktor zweeg.
De pianiste begon een andere melodie. 'Die ken ik,' zei Frits, dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.' Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten in de maat op zijn knieën. 'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.111

maandag, december 27, 2004

De Avonden 6
Duisternis en regen


'Waarom hadden die duisternis en die regen een verblijdende betekenis?' dacht hij. 'Daar moet ik achter zien te komen'. 'In de vierde klas, bij het begin van de vakantie,' zei hij tegen zichzelf, 'we gingen naar huis en ik had een leeg krijtenkistje gekregen. Ik stond in de gang, te wachten op het eind van de regen, want ik had geen jas bij me. En elke keer snoof ik in het kistje. Het was een lucht van hout, nieuw hout, van hars en krijt. Tot zover is het duidelijk, dat zijn de feiten. Maar de samenhang?'
Ik weet het, 'dacht hij plotseling, 'het is eenvoudig. De laatste uren van de schooltijd moesten somber zijn, om de overgang naar de vrije dagen des te scherper te laten uitkomen.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.85

zondag, december 26, 2004

De Avonden 5
'De kleine zenuwlijder'


''Wat lees je?' vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. 'Dat moet je beslist lezen,' antwoordde Viktor, daar zul je beslist veel plezier aan hebben.
'De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,' zei Frits.
'Je mag het wel lenen,' zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.81

zaterdag, december 25, 2004

De Avonden 4
'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden,
dat zou schitterend zijn.'




'Hij liep naar de keuken en stond op het punt zijn tanden te gaan poetsen, toen hij uit de slaapkaamer stemmen hoorde. Hij trad aan de deur op de gang. Zijn moeder sprak met een snelle, huilende opeenvolging van woorden. Wanneer ze uitgesproken was, hoorde Frits telkens het gebrom van zijn vaders stem. Dan was het weer stil, maar even daarna ging het voort. Opeens leek het hem, of zijn moeder rechtop in bed was gaan zitten en het huilen inhield, want hij verstond duidelijk haar stem, die luider klonk dan tevoren. 'Jij hebt nooit,' zei ze, 'nooit in je leven heb jij aan iemand anders gedacht dan aan jezelf en nooit heb je eens nagedacht of-' Frits ging weer snel de keuken binnen. 'Ik hoor niets,' zei hij, de ogen sluitend, 'ik hoor niets. Niets hoor ik.' Hij sloot de deur en poetste zijn tanden. Als de stemmen luider werden, neuriede hij in zichzelf. 'Wom wom, wom!' zong hij dan, met zware bromtrillingen in het hoofd.
...
'Hoort de kerstboodschap,' zei hij hardop, 'de heiland werd geboren. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.' Toen hij in bed kroop en het dek over zich heen trok, dacht hij: 'Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden, dat zou schitterend zijn.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.63

vrijdag, december 24, 2004

De Avonden 3
Maar op den duur word je toch kaal...daar is geen ontkomen aan.'


'Ik vraag me vaak af,' zei Frits, 'waardoor kaalhoofdigheid wordt veroorzaakt. Het treedt alleen op bij mannen. En de haargroei op andere plekken van het lichaam gaat gewoon door.'
'De wortels op het hoofd sterven af,' zei Jaap. 'Wat een wijsheid,' zei Frits, 'dat weet ik ook. Dat is zoiets als: er komt geen regen als het droog blijft. Ik heb wel eens gedacht, dat het komt, doordat de schedel groter wordt en de huid er erg strak op gespannen zit. Daardoor wordt de bloedtoevoer afgeknepen. Zou dat kunnen?' Jaap zweeg.
'Het gaat sneller hè?' ging Frits voort. 'Het is bij jou niet te stuiten, wel?''Laat ik je zeggen,' zei Jaap, met de rechterhand over zijn hoofd strijkend, 'dat het uitvallen al een maand of twee stilstaat. Je hebt gevallen, dat het erg dun geworden is, maar dan niet meer dunner wordt: zo'n geval ben ik,'
'Maar op den duur word je toch kaal, net als alle anderen,' zei Frits, daar is toch geen ontkomen aan.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.47,49

donderdag, december 23, 2004

De Avonden 2
'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt'


'De muziek eindigde. Hij stond op, liep tijdens het applaus de zaal uit, schoot zijn jas aan, holde de trap af en stond buiten. Hij spuugde op de grond en liep in een flinke pas naar huis.
In de woning zag hij nergens licht branden. Hij bekeek de gevel. 'Niemand weet wat een menselijke woning inhoudt,' zei hij zacht. Hij ging langzaam de trap op en trad de gang binnen. Alles was donker. 'Ze zijn thuis,' dacht hij, stak het licht op en zag de jassen van zijn ouders aan de kapstok hangen. Hij poetste zijn tanden en ging in de slaapkamer op het bed zitten. Daarna schoof hij het gordijn voor de onderste planken van zijn boekenkast weg en bekeek een lange rij boeken en blauwe, groene, oranje en grijze schriften. Hij bleef er lange tijd op staren.
'Ik moet die rommel wegdoen,' zei hij zacht. 'Het huis uit, helemaal weg. Geen restje meer. 'Wie is zo gek, wie is zo krankzinnig om naar zoiets heen te gaan?' dacht hij. 'Ik,' zei hij hardop. 'Ik, Frits van Egters.'

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.35,36

woensdag, december 22, 2004

De Avonden 1
De held van deze geschiedenis




"Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevende horloge, dat aan een spijker hing. 'Kwart voor zes,' mompelde hij, 'het is nog nacht.' Hij wreef zich in het gezicht. 'Wat een ellendige droom,' dacht hij. 'Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. 'Het wordt dit weekend goed weer,' zei iemand. Op het zelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond..........."

Gerard Kornelis van het Reve in De Avonden, een Winterverhaal Amsterdam 1971 eenentwintigste druk p.5

vrijdag, december 17, 2004

‘Niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’



‘In mijn mijmeringen werd het beeld van zijn verschijning merkwaardigerwijze duidelijker dan het gedurende de verwarrende ogenblikken geweest was, toen hij nog vóór mij stond. Bij de herinnering van zijn verlegen glimlach, het korte groetende gebaar van zijn hand en de bewegingen van zijn lichaam terwijl hij aan de bromfiets bezig was geweest, zag ik hem in mijn verbeelding vóór mij, terwijl hij zich in een oud vermolmd houten washok met een goedkoop, groot vierkant stuk zeep stond te wassen. Hij was arm, en er was weinig vreugde in zijn leven. Samen met zijn hond, op zijn bromfiets, bood hij uiterlijk een tafereel van een vertrouwelijk, vertederend geluk, maar dat was slechts schijn. Hij droeg een verdriet bij zich, dat hem eenzaam maakte en waarover hij met niemand kon praten. Had ik de moed gehad hem aan te spreken, dan was hij misschien, niet onmiddellijk, maar nadat ik hem op zijn gemak had gesteld, moeizaam en telkens bevreesd ophoudend, mij zijn verhaal beginnen te vertellen, want hij was even schuw als verlangend bij iemand hulp en bescherming te vinden.
Maar wat was dat verdriet? Ik wist het niet, maar het bewoog hem, de eenzaamheid te zoeken, om alleen te zijn en erover na te denken, en zachtjes zijn klacht uit te spreken tegen zijn hond, die trouw naar zijn geliefde jonge baasje luisterde, niets van de woorden verstaand, maar alles begrijpend.’

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 34, 35

woensdag, december 15, 2004

Avondrood



Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat er niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdsam/Brussel MCMLXXVIII p. 41

dinsdag, december 14, 2004

14 december 2004: Gerard Reve 81 jaar




Ik hef in eenvoud & dankbaarheid het glas
op de eenentachtigste verjaardag van Gerard Reve:

Driewerf Hoera voor de Meester!
Van Harte Gefeliciteerd!

Eenvoudige Huisvrouw

maandag, december 13, 2004

Regen



'Ik zou, wat het verhaal van mijn leven betreft, bij het begin willen beginnen, maar waar is dat begin? "Het verliest zich in nevelen", pleegt men wel te zeggen, maar in mijn geval schijnt het zich voornamelijk door regen aan de historische waarneming te willen onttrekken. Ik herinner mij, zeker uit mijn vroege jeugd, nauwelijks iets anders dan regen, en het is mij vaak voorgekomen, dat mijn leven gekenmerkt is geworden door andere meteorologische omstandigheden dan dewelke het leven van de meeste stervelingen begeleiden. Motregen was wel het minste, maar plasregens, almaar doorgietend en doorlekkend, gehele middagen en dagen achtereen, met niets om op zolder mede te spelen dan een oude cither met nog de helft van de snaren, en met mijn eigen jongensdeel - ik weet nauwelijks van iets anders.'

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.44,45

woensdag, december 08, 2004

'Kleren zijn van onmiskenbaar belang'

'Kleren zijn van onmiskenbaar belang, dacht hij.
Vooral wanneer de jaren vorderen.'


Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.116

zondag, december 05, 2004

Een Goede Les
een fijn Sinterklaassprookje




Een Goede Les

Er was eens een jongen, die heel stout en ondeugend was. Hij was ook erg ongehoorzaam en lui, en hielp nooit zijn moeder eens bij de afwas. Ja, beste jongens en meisjes, ik ben het met jullie eens, dat het helemaal geen lieve jongen was! Maar hij was wel erg mooi en had een heel mooi, fijn, lief, stout jongenskontje. Daarom was Sint Nicolaas, die, zoals jullie weten, een echte kindervriend is, helemaal gek op hem. Jullie willen allemaal graag wat van Sint Nicolaas, maar nu wilde Sint Nicolaas iets van die jongen! Maar die jongen moest niets van Sint Nicolaas hebben, omdat Sint Nicolaas zo oud en dik en helemaal kaal op zijn hoofd was, met allemaal kleine schilfertjes, en die jongen zei dus tegen Sint Nicolaas: ‘Ga weg, ouwe viezerd! Je bestaat niet eens echt!’ Jullie begrijpt wel, hoe dat die goede lieve kindervriend Sint Nicolaas ten zeerste verdroot. Hij zon almaar op iets, waardoor hij die ongehoorzame, luie, mooie jongen eens een lesje kon leren.
Nu had die jongen wel gezegd, dat Sint Nicolaas niet echt bestond, maar hij zette evengoed op Sinterklaasavond wel zijn schoen onder de schoorsteen. Sint Nicolaas, die wist dat en kwam met zijn paard over het dak. Jullie weten allemaal, dat Sint Nicolaas alleen maar een jurk om zijn blote kont draagt, net als de Paus en kardinaal Alfrink. Dat kwam nu goed van pas. Want Sint Nicolaas kwam dus van zijn paard af, spreidde zijn jurk over de schoorsteen en ging zelf met zijn blote reet op de schoorsteenpot zitten, want ik was nog vergeten jullie te vertellen, dat die ondeugende jongen ook nog tegen Sint Nicolaas gezegd had: ‘van mij kan je de pot op!’ Toen kakte Sint Nicolaas dus uit zijn reet een grote dikke drol en die drol viel in duizelingwekkende vaart recht door de schoorsteen naar beneden, precies –ja jullie raden het al, jongens en meisjes –precies in de jongensmolière, precies in de schoen van die stoute, ongehoorzame deugniet.
Nu, jullie hebben vast wel eens een kikker of een beestje van chocolade gehad met groen of rood zilverpapier er om heen met van binnen van die lekkere rose of gele snot er in, maar dit was nu eens heel andere koek, wat jullie? Ik denk, dat jullie net zo graag als ik de volgende ochtend wel eens het gezicht van die stoute jongen had willen zien! Zo komen de snoepers te pas! Wien de schoen past, trekke hem aan!

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 432, 433

woensdag, december 01, 2004

Op Weg naar het Einde
"Waarom dan mij niet...?"


'Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. "Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet- dat was toch in één moeite door gegaan?"

Gerard Kornelis vn het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.9

zondag, november 28, 2004

Geen hoop



'Een kleine wolk schoof gedurende enkele sekonden voor de zon, en op het ogenblik dat het volle zonlicht, in een flits, terugkeerde, zag ik opeens, wat het gehele tafereel betekende en voorstelde. Ik zag mezelf: de toekijkende jongeman die ik nu beloerde was niemand anders dan ikzelf, evenveel jaren geleden als hij nu jonger was dan ik. En het was wel zeker dat hij terzake zijn eigen leven, net als ik toen, reeds wist en besefte dat er geen hoop was.

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p. 23

zondag, november 21, 2004

'Want in veel wijsheid is veel verdriet'

'Er zijn gedeelten van mijn herinnering weg, niet door dementie maar omdat er altijd lege stukken zijn geweest, zoals mijn vroege jeugd, tot ongeveer mijn vijfde jaar, van welke periode ik niets weet, wat misschien niet eens zo erg is. Door narcolyse of hoe het heet te weten komen dat je vader aan je vriendje zat of dat je moeder heftig schreide in de armen van een jonge katholieke buurman, wat koop je daarvoor? Want in veel wijsheid is veel verdriet en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart (Pred.1-18)

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.217

vrijdag, november 19, 2004

'De oorlog is een gruwelijk bedrijf'



'De oorlog is een gruwelijk bedrijf, dat over akkers en steden een doodskleed van onstilbare rouw legt, al verjongt hij wel een volk, dat is een feit, al wordt het soms brutaalweg geloochend.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.194

maandag, november 15, 2004

Tragisch

'Echt van het bestaan genoten heb ik nooit, noch mij in het leven echt thuisgevoeld. Ik vond voor die toestand van mij een woord dat het altijd en overal doet, en dat U al eerder bent tegengekomen: tragisch. Want tragisch is altijd goed. En een tragische roman of een tragisch verhaal of een tragische brief schrijven dat is veel gemakkelijker dan iets schrijven dat grappig is. De mensen lezen trouwens liever ellende dan al dat gedans en gespring.'

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam/Antwerpen 1996 p.180

donderdag, november 11, 2004

'Zijn tent was onder de mensen'

‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen, dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U Amsterdam 1966 p.56

woensdag, november 10, 2004

De Meedogenloze Jongen. Wie is hij?



'De Meedogenloze Jongen komt al voor in 1966, in een verhaal dat Brief In De Nacht Geschreven heet, en terecht is opgenomen in mijn avonturenroman Nader Tot U, die vele lezers heeft wakker geschud. Ook toen verscheen hij mij, en eveneens in een tent, zoals velen zich herinneren.
Wie is hij? In het werk van tijdgenoten komt hij niet voor, noch in andere geïnspireerde geschriften. Hij is wreed, en wil jongens martelen maar tegelijkertijd erg lief voor ze zijn en ze van alles ten geschenke geven, dus hij wordt overal verjaagd. Is hij de verbreider van het revisme? Stellig belichaamt hij iets dat komende is in de wereld. Zoude hij mijn graf willen bewaken? Ik durf zoiets niet te vragen, maar ik zoude het wel op prijs stellen. (Ik schrijf voor mensen en ook voor vele dieren die zelf niet lezen. Dus het moet begrijpelijk zijn wat ik schrijf, als het maar mooi is en troost schenkt aan allen die deze van node hebben.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.158

dinsdag, november 09, 2004

Dood en Leven

'De dood die heb je al, bedoel ik, maar het leven is wat je er zelf van weet te maken.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.150

maandag, november 08, 2004

’Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook’

‘Ik wil niet dat U het zich allemaal aantrekt; Uw Schuld is het zeker niet. En U behoeft niet katholiek te worden. Ja, als U echt niet meer te houden bent, dan bemoei ik me er niet meer mede. Het is een prachtig geloof, helemaal niet duur ook, en bedoeld voor alle mensen, te land, ter zee en in de lucht; voor de gehele schepping, voor alles wat adem heeft; en voor alle doden, die wachten op de Verrijzenis en de Verlossing van alle Vlees. Amen. (Stilte. Zwijgend knikken. Hier en daar wist men ogen af met zakdoek.)'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.141

zondag, november 07, 2004

’Een eeuwige pelgrim naar een immer wenkende horizon’



‘Maar de dood sloeg eigenlijk overal toe waar het hem zinde, schijnbaar zonder systeem, bij jong en oud. In dit recente geval bij jong, als men Jean Luc nog echt jong kon noemen: hij zoude over drie maanden 28 jaar zijn geworden, bijna dus reeds een vieze oude man van boven de dertig.
Bij deze gedachte nam ik opnieuw voor de spiegel mijn eigen gestalte in ogenschouw, en die viel mij mede. Mijn verschijning had iets tijdloos: ik had geen leeftijd omdat ik een eeuwige pelgrim was naar een immer wenkende horizon. Helemaal geen lelijke gozer, en voor de liefhebbers van het soort nog steeeds een buitenkansje.’

Gerard Reve in : Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam /Antwerpen 1996 p.102, 103.

donderdag, november 04, 2004

'Dan wilde ik wel met hem medegaan.'



'Was hij, die jongeman dus, de Dood? Dan wilde ik wel met hem medegaan. Een mooie jongen, die vond je niet zo maar overal, en naarmate men ouder werd bleef het meer en meer een leven van behelpen. Daarmede bedoel ik niet dat ik in mijn toestand in staat was enig oordeel te vellen of iets te begrijpen, maar zijn verschijning stelde mij gerust. Ik denk dat ik mij gevoelde als een dier dat door ziekte of zwakte weerloos is geworden en een mens op zich af ziet komen die het goed met hem meent. Want een dier weet dat, door geheime kennis die nooit ontraadseld is.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 84

woensdag, november 03, 2004

"tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood"

'Neen, hij was meedogenloos geweest, met een bizondere wreedheid die door onverschilligheid werd gevoed. Hij was wreed geweest, jawel, en een hartbrekend monster, reken maar. Daarom had ik zoveel van hem gehouden, en treurde ik bijna tot tranen toe om zijn droeve, o zo jonge dood, terwijl hij nog een geheel leven voor zich had kunnen hebben, vol wreedheid die een blijvend verdriet gezaaid zoude hebben in ontelbare harten, vooral die van zeer jonge personen, scholieren veelal die eigenlijk nog kinderen waren.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 38

dinsdag, november 02, 2004



"en zong een lied
over een naamloos Graf van eeuwigheid"


uit: Allerzielen

Gerard Reve Gedichten Amsterdam 1987 p.54,
alwaar het gehele gedicht te lezen is.

maandag, november 01, 2004

'Het werkelijke probleem is de verlatenheid.'

'Verder ben ik niet tegen de dood, zoals veel domme mensen. Het werkelijke probleem is de verlatenheid. Alleen zijn is meestal nog te dragen, het zich verlaten weten nooit. Ik vroeg mij af hoe God Zich gevoelde, en of God ooit een mens of enig ander schepsel zoude verlaten. Maar ik liet die vragen wederom rusten, want ik had er geen verstand van.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 29

vrijdag, oktober 29, 2004

'Gebonden en gevangen'

'Ik meen dat het geloof is: het vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben. En het valt te betwijfelen, of liefde zonder objekt bestaanbaar is. 'Vrije liefde', bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis: het wezen van iedere liefde is, dat zij zich gebonden en gevangen geeft. (Zelfs Gods Liefde kan het Zich gebonden en gevangen geven in Zijn Schepping, inzonderheid door zijn Menswording, kennelijk niet ontberen.) Wie iedereen liefheeft en het gehele mensdom in zijn afrmen sluit, houdt waarschijnlijk van niemand.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p. 243

woensdag, oktober 27, 2004

'Misschien zit er in zoverre een systeem in..'

'Als de tijden goed zijn ben ik er beroerd aan toe en, als de tijden slecht zijn, gevoel ik mij goed of althans redelijk wel. Hoe dit zo komt, zoude ik niet kunnen zeggen. Een oorzakelijk verband zie ik niet, maar misschien zit er in zoverre een systeem in, dat de som der dingen steeds op dezelfde grootte moet uitkomen.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.72

dinsdag, oktober 26, 2004

Zolang er maar Gods zegen op rust

"Er is niets tegen waanzin, zolang er maar Gods zegen op rust, en er bovendien een systeem in zit. Het kan best waar zijn, dat er in mijn boeken 'geen normaal mens voorkomt', maar op dat verwijt verzoek ik de klager zulk een 'normaal mens' te gaan zoeken en, indien gevonden, aan mij te komen tonen."

Gerard Reve in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.7

vrijdag, september 10, 2004

'Van belang is, of de mensen ze kopen.'

'Een ingenaaid boekwerk zonder enige versiering,'De Kaalhoofdigheid en Hare Bestrijding', heette na de behandeling 'Waarom Kaal Worden?' en deze tital was op het nieuwe omslag wit uitgespaard in de afbeelding van enige inboorlingen van een Zuidzee-eiland, die inderdaad formidabele haardossen rondtorsten. "Wie koopt er nu zo'n boek? Ik geloof niet dat er aan kaal worden iets te doen is", waagde ik eens, geheel onuitgenodigd te zeggen toen het mij onder ogen kwam. Mijn patroon liet mijn opmerking in haar volle onnozelheid tot zich doordringen, terwijl hij peinzend uit het raam tuurde. "Het is volstrekt van geen belang of handleidingen, borstels, massage-apparaten, groeimiddelen enige baat geven", zei hij toen zacht.
"Van belang is, of de mensen ze kopen."
Ik kon, tegenover zulk een diepe wijsheid, slechts beschaamd zwijgen.'

Gerard Reve, in Een Eigen Huis Amsterdam/Brussel MCMLXXIX p. 78,79

maandag, september 06, 2004

'hij in ons en wij in hem'

'Maar vermoedelijk was zelfs alles een illusie. God was de enige werkelijkheid, en wij waren slechts werkelijk in zoverre hij in ons was, en wij in hem. Indien dit zo was, en indien het waar was, dat God Liefde was, dan moest dit betekenen, dat wij slechts werkelijk bestonden, in zoverre we liefhebben.'

Gerard Kornelis van het Reve in Nader tot U, Amsterdam 1966 p.55

vrijdag, september 03, 2004

Niets en niemand kan hen scheiden van de Liefde Gods

'De eenzamen schrijf ik, als troost,dat God meer lijdt dan alle mensen tezamen, maar dat begrijpen ze maar zelden. Ook schrijf ik ze, dat niemand hen kan beletten een ander wezen lief te hebben -maar ook dat komt hen voor als een slag in de lucht. Dan schrijf ik ze -als ze zeuren over ouderdom en Dood - dat onze sterfelijkheid voorwaarde is van Gods eeuwigheid, en dat wij moeten sterven, opdat Hij leve.Dat vinden ze nog maller, maar als ik ze, als toegift op al die onzin nog schrijf dat niets en niemand hen kan scheiden van de liefde Gods, dat wil zeggen dat niemand, ooit, hen kan beletten God lief te hebben, dan is de maat vol, en vinden ze me een fantast en verkondiger van beuzelpraat.'

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders,
in de brief aan professor C.J.B.J. Trimbos van 11 februari 1966
Utrecht/Antwerpen 1985 p. 111

woensdag, september 01, 2004

'Het is als met de vioolkunst'



'Mijn geschiedenis is de geschiedenis van mijn leven, het is als met de vioolkunst: je denkt bij je eigen het is een lintje, maar het zijn allemaal gewoon paardeharen.'

Gerard Reve, in Lieve Jongens Amsterdam/Antwerpen 1991 p.120

zondag, augustus 29, 2004

'Wat ik begeer is zo mateloos'



'En ik ben vaak bang voor mijn fantasieën. Wat ik begeer is zo mateloos, dat het nog in geen honderd mensenlevens vervuld zou kunnen worden. Het zijn de dingen die God Zelf Zich nog niet eens zou kunnen veroorloven. Ik moet het te gelegenertijd maar allemaal opschrijven en aangetekend aan Provinciale Staten sturen.´

Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam /Antwerpen 1997 p. 87,88

vrijdag, augustus 27, 2004

Een ademtocht...

'Misschien ligt ergens in de komende etappe op weg naar het einde voor mij een waarachtig bestaan, waarin ik niets meer verwacht, en elke oppervlakkige genieting en illusie zal wegwerpen, en eindelijk waardig zal kunnen leven en sterven, God erend en liefhebbend, en me bij de zinledigheid van het bestaan neerleggend, maar wetend, dat ik in het werk, als ik met al mijn wanhoop en kracht probeer te schrijven, wellicht enkele ogenblikken een schaduw zal zien, een ademtocht zal voelen, een vaag, wegstervend geluid zal horen van hem die ik hoop eens in mijn leven, al is het maar enkele tientallen seconden, te mogen zien ' van aangezicht tot aangezicht'. Ik hoop, dat ik u niet treurig heb gemaakt, want ik houd van u allemaal, op mijn eigen, eenvoudige manier.'

Gerard Reve in: Op weg naar het einde Amsterdam 1966 p. 137

woensdag, augustus 25, 2004

Alles is uit Liefde ontstaan

"Alles is uit de Liefde ontstaan", begon ik Tweede Prijsdier uit te leggen. "Het is niet zo, dat de Liefde één van Gods atrributen is, maar de Liefde is God zelf. Toen er nog niets was, was reeds de Liefde. Uit haar is alles ontstaan, en niets is ontstaan dat niet uit haar ontstaan is. Als niets meer zal zijn, zal nog de Liefde zijn, want de Liefde, en God, dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde, onderling vervangbaar, en identiek. Als je het opschrijft, staat het meteen op papier ook."

Gerard Reve, in Nader tot U Amsterdam 1966 p.85,86

zaterdag, augustus 21, 2004

'Talent hebben is een twijfelachtig voorrecht'

'Maar talent hebben is een twijfelachtig voorrecht. De medemens trapt je dan het liefste dood. Zolang je het nog niet geklaard hebt, en nog onder ligt, vinden ze je geweldig. Maar verkoop maar eens goed, en verdien maar eens, na een half of 3/4 of 4/5 leven van armoed, een paar centen: dát zullen ze je nooit vergeven.'

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.206

vrijdag, augustus 20, 2004

Uit de lengte of uit de breedte

'Het is wel eens niet zo leuk, als je dingen ziet die niemand anders schijnt op te merken, maar het is toch een voorrecht.
Het moet uit de lengte of uit de breedte.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100

donderdag, augustus 19, 2004

'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken
is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik'.




'Iemand ergens een kaars voor je laten ontsteken is een heel oud en eerbiedwaardig gebruik. Het heeft een geweldig effekt. Maar geen mens meer, die dat weet. Al deze gebruiken worden niet of nauwelijks meer onderhouden en voor de altaren van de Waarheid doven, overal ter wereld, de lampen, die volgens allerlei geloftes, in eeuwigheid brandend zouden moeten worden gehouden.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 100

maandag, augustus 16, 2004

'Dat is het revisme'

'Mijn liefde heeft te maken met macht, verering, onderwerping, angst, zowel als een diep, koortsig verlangen jou te horen hijgen bij het stoeien met een klein liefdesdier. Misschien denk je dat je mij daardoor zoudt kunnen verliezen,maar het tegendeel is waar. Dat is het revisme, dat je toch uit mijn boeken moet kennen.'

Gerard Reve, in Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992 Amsterdam/Antwerpen 1997 p.226

zondag, augustus 15, 2004

In de stilte van de nacht

'In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk door gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, Eeuwige, en op U alleen.

Gerad Kornelis van het Reve, Nader tot U, Amsterdam 1966 p.87

vrijdag, augustus 13, 2004

Wandelen (2)

'Wandelen is -en hier ligt de sleutel tot elk waardeoordeel 'als zodanig'- Vrijwillige beweging, terwijl reizen Gedwongen, of liever gezegd Noodzakelijke Verplaatsing is - als ik hiermede één en ander nog niet afdoende duidelijk heb gemaakt, heeft het ook geen zin om nog verdere moeite tot uitleg te doen.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 99, 100

donderdag, augustus 12, 2004

Wandelen 1

'Wandelen is wel Beweging, maar niet Verplaatsing in de strikte zin des woords, ook al begeeft men zich -en dit is, ik geef het graag toe, zeker bedrieglijk- ogenschijnlijk van de ene plek naar de andere.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.99

woensdag, augustus 11, 2004

'Waar of niet'?

'Als je leeft, dan neem je risikoos, waar of niet;
maar je hoeft heus niet bang te zijn.'

Gerard Reve in Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p. 81

dinsdag, augustus 10, 2004

'Ieder verhaal heeft een vervolg'(2)

'Van de dag af, dat ik begon te schrijven, heeft dit besef mij steeds met ontzetting vervuld, en dikwijls verlamd: in te moeten zien, dat geen door enig mensenkind verteld of neergeschreven verhaal ooit iets anders kan zijn dan de bloedig uit de regenworm gespitte middenmoot, of de afgeknotte zuil op het duur en lelijk graf -van boven moedwillig afgebroken, van onderen zich slechts tot enkele decimeters onder het aardoppervlak voortzettend: versteende kokon, waar nooit meer iets uitkruipt.'

Gerard Reve in Verzameld werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413

maandag, augustus 09, 2004

'Ieder verhaal heeft een vervolg....' (1)

'Ieder verhaal heeft een vervolg, waarop weer, in eindeloze voortzetting, ontelbare naspelen elkaar moeten blijven opvolgen, en ook heeft het een voorgeschiedenis, waaraan een oneindige keten van voorspelen moet zijn voorafgegaan.'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6, Amsterdam/Antwerpen 2001 p.413

zondag, augustus 08, 2004

'Niet anders..dan zichelf te openen voor God'

'Mij staat een religie voor ogen, waarvan de belijder niet anders zal beogen dan zichzelf te openen voor God, inplaats van God te willen bemachtigen en dienstbaar te willen maken aan de vervulling van infantiele begeerten; een geloof, dat misschien eens zal mogen heersen, en waarin de mens de moed zal vinden zijn Godsbegrip los te maken van elke hoop en elke verwachting van welk heil dan ook; een geloof dat de noodzaak van de Dood zal willen inzien, en begrippen als verlossing en Eeuwig Leven niet zal interpreteren als een zich na de Dood voortzettend, altijddurend heden.'

Gerard Reve in Verzameld Werk, deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p. 380
uit: 'Bij mijn intrede in de Rooms Katholieke Kerk' in Tirade, juli-augustus 1966

zondag, augustus 01, 2004

'Over een paar uur vertrekt het schip'

'Over een paar uur vertrekt het schip, en het is mij zeer droefgeestig te moede......
In ieder geval heb ik mij nog nooit in mijn leven met enig ander wezen verwant gevoeld. Waarschijnlijk is het beter, dat ik van nu af aan in afzondering leef, dat is een draaglijker soort eenzaamheid dan die, ondergaan in het gezelschap van de ander.'

Gerard Kornelis van het Reve in Op Weg naar het Einde, Amsterdam 1966 p.134

zondag, juli 18, 2004

"Het koor zingt en de muziek ruist als een zee"

'De Waarheid is dubbelzinnig, dat begin ik nu zeer goed in te zien. We gaan naar de Kerk, en vragen de Grote Godin: "Wanneer?" En Zij glimlacht schier onmerkbaar met Haar zeer schone gelaat en Zij antwoordt: "Eens..." En wij weten niet of dat woord betrekking heeft op het sprookje uit het verleden of het luchtspiegelbeeld in de glazen piskijkersbol van de toekomst. Was het reeds, of zal het zijn? De kaarsen branden, de wierook stijgt op, het koor zingt en de muziek ruist als een zee, en wij weten slechts, dat het antwoord, en de muziek, en het koor, schoon zijn. Mooi is het, vind je niet, het volle leven, wat jij kunstbroeder? '

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p. 125

zaterdag, juli 17, 2004

Waar het om gaat
 
'Weet je wat ik dacht -al dat principiële gelul over gevoelens, dat leidt tot niets. Waar het om gaat, tenminste op dit ogenblik, dat zijn praktiese dingen, ik bedoel die instelling, waarbij iedereen een concreet, gemeenschappelijk doel  voor ogen houdt, en dat doel is, volgens mij, een tot op zekere hoogte draaglijk, en menswaardig bestaan.
 
Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p.132

woensdag, juli 14, 2004

'Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.'



“Wat is alles toch wonderlijk! Als je bijvoorbeeld nagaat, dat ijs precies bij 0 graden Celsius overgaat in water, en dat datzelfde water weer bij precies 100 graden kookt, geen graad meer of minder! Dat kan nooit toevallig wezen: er moet een God zijn.”

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.42

dinsdag, juli 13, 2004

De verzoening met het leven

'Je bent vóór en na Lourdes niet meer dezelfde mens. Het is de verzoening met het leven, met de Aarde, met het lichaam, met de sterflijkheid. Graf en schoot is het, die Grot, en je kunt de mensgrote kaarsen zien als Roeden of als kaarsen in een altijddurende sterfkamer, net naar wat je wilt: het kan vermoedelijk beide tegelijk, want alles wordt één in Lourdes.'

Gerard Reve in Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.174

maandag, juli 12, 2004

'..alleen geleefd.. uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken..'

'Het is heel zonderling, maar ik heb een zekere distantie gekregen van veel dingen, ik bedoel ik kan een aantal zaken niet meer belangrijk vinden, en wil alleen maar schrijven & dichten, aan de zee, in vrede, over dingen van vroeger, maar vooral over God, wat een schier onuitputtelijk onderwerp is. "Dit is nu al 's jongelings vierde gedicht over God, en steeds heeft hij nieuwe denkbeelden over dat onderwerp." Ik wil nog eens een ingrijpend gedicht schrijven als een getuigenis dat ik van alles gedaan heb, tijdvermorsing, stompzinnig genaai, ontucht op middagen, slechte daden jegens mensen, misleiding, bedrog en ontrouw, maar dat ik hem gezocht heb, anders niets en niemand, nooit, dat ik alleen geleefd heb uit hoop hem te ontmoeten en hem aan te raken en met hem mee te gaan, dat alles dwaasheid is en ijdelheid en stof en kaf en dat ik alleen maar naar hem verlang, hongerende en dorstende naar zijn Voltooiing. Nu ja.'

Gerard Reve in Brieven aan Wimie 1959-1963 Utrecht MCMLXXX p. 142

zondag, juli 11, 2004

'Ja, dat leven dus'

'Ja, dat leven dus: men behoort het leven monter en met een lied op de lippen tegemoet te treden, maar ik heb altijd de indruk gehad dat het leven mij achtervolgde, achternazat als het ware, en mij steeds sneller voor zich uit wilde voortjagen: "Opschieten jij! Hoe eerder het afgelopen is hoe beter."

Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.670

zaterdag, juli 10, 2004

Het leven




'Het leven, dat is een soort lied, volgens mij.'


Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.126

vrijdag, juli 09, 2004

Zij



'Wat zou het bestaan zijn zo Zij er niet was, kunstbroeder, de Troosteres, de Verloste, de Verheerlijkte en Gekroonde?....
Ik verlaat me maar meer en meer op Haar, dan zit het altijd goed. Zij is mij om een of andere duistere reden uitzonderlijk goed gezind, vermoedelijk omdat zij niet geheel goed bij het hoofd is. Maar waarom, vroeg ik me dikwijls af, wordt nu juist Zij het meest van alles en iedereen in de Kerk vereerd? "Omdat Zij alleeen maar helpt en troost", zegt Jakhals. "Zij oordeelt niet. Zij is geen rechter."
Dat zal het zijn.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.208

zondag, juli 04, 2004

Stad en Land (2)



'Stadsmensen zijn mensen die door een stekker gevoed worden; trek je de stekker uit het stopkontakt, dan sterven ze. Een wereld van stilte, zonder electriciteit, kunnen ze zich niet eens voorstellen. Ze weten niet, welk kwartier van de maan is. Ze geloven niet in God, omdat er nooit stilte is, waar ze zijn, en omdat de krant en de Verrekijk alles weten, of anders de encyclopaedie wel.'

Gerard Reve, Brieven aan Simon C. 1971-1975 Utrecht MCMLXXXII p.269

vrijdag, juli 02, 2004

Stad en Land(1)



'De wezenlijke tegenstelling is niet die tussen ontwikkeling en ongeletterdheid; niet die tussen links en rechts; niet die tussen kunst en maatschappij; niet die tussen jeugd en ouderdom; niet die tussen schrijvers en hen die niet schrijven. De wezenlijke tegenstelling is die tussen Stad en Land. Ik ben geen stadmens, en ben het nooit geweest. De stadsmens is de vijand van de ware inspiraatsie, en van de echte creativiteit.
De stad is een schijnbare orde, en in werkelijkheid een chaos.'

Gerad Reve, Brieven aan Simon C. Utrecht MCMLXXXII p.269

zondag, juni 27, 2004

Primitief

'Het zijn angstwekkende tijden, gekenmerkt door een tot een karikatuur uitgegroeid bijgeloof: de Dood zal binnen afzienbare tijd ongedaan gemaakt worden door de mediese wetenschap; het heelal is 'gewoon uit een ammoniawolk ontstaan' (en dat gepresenteerd als een verklaring voor het zijn van het heelal!), kortom eenn pseudo-rationeel denken, dat in werkelijkheid even primitief is als het geloof van een kind in de ooievaar. Voorlopig vind ik een Schepping uit het niets, door Gods Wil, een heel wat aanvaardbaarder visie, al kan men zich daarbij niets feitelijks voorstellen. (Vandaar dat de Kerk spreekt van een mysterie.) Enfin, niet tobben.

Gerard Reve in Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p. 229, 230

zondag, juni 13, 2004

'’Eeuwige onderwerping in liefde

'Het Cliché is een Godsgeschenk. Als de lezer moede begint te raken van het al te verfijnd uit de doeken doen van liefdesleed, herinneringen en schuldbesef van de held, en van al die geuren, kleuren, adjectieven en gelukte of mislukte vergelijkingen, schrijft U dan eens gewoon neder: Zoude hij dit aanbiddelijke wezen, deze duizelingwekkende blonde zeeprins ooit, al ware het slechts voor één ogenblik, mogen terugzien om dan, ja dan, in een allerlaatste kans, hem zijn eeuwige onderwerping in liefde aan te bieden?...'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453

donderdag, juni 10, 2004

'Tragiek versterkt door humor'

Ik geef U een paar voorbeelden.
'Wat vind je van de ouderdom?' vraagt men mij. 'Het leven krijgt diepte, Mevrouw,' antwoord ik. En daar laat ik op volgen: 'Het is een afgrond, wil ik maar zeggen.' Of ik antwoord monter: 'Mijnheer, de ouderdom is de kroon op het leven,' om daar na enkele seconden pauze op te laten volgen: 'zij het een doornenkroon.' Of, bij verlies, voegt men mij toe: 'Het leven gaat door, meneer Reve!' 'Zo is het,' beaam ik volmondig, er vlak daarna aan toevoegend: 'Tenminste, als het niet ophoudt.'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4 in: Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p.453

maandag, juni 07, 2004

De wind (2)

'We geven onze klacht mede aan de wind, wij worden gejaagd door de wind, wij verstuiven de as op de wind, de wind voert het voorjaar aan, de wind zingt van dit en van dat, een oud lied of een nieuw geluid, ziet U maar wat U er mede doet.'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462

zondag, juni 06, 2004

De wind (1)

'Ben ik juist ingelicht, dan is er in het Hebreeuws één woord, dat zowel wind, adem, geest als rook kan betekenen.
Dat zegt reeds iets.
De wind doet het zelfgemaakte molentje van het kind draaien en snorren dat het een lieve lust is, maar diezelfde wind zendt ook het schip vol lieve zeejongens, ver van huis en roepende om hunne moeder, de ijzige, eeuwige diepte in. De wind is het Leven en de Dood: twee halen, één betalen.
"Hoor je die wind? Wel een gezellig geluid, vind je niet?'

Gerard Reve, Verzameld Werk deel 4, in Zelf schrijver worden, Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 462

zaterdag, juni 05, 2004

'Alle liefde is medelijden'

'Als de uitspraak van Arthur Schopenhauer: 'Alle liefde is medelijden', waar is, dan is die uitspraak misschien wel omkeerbaar: 'Alle medelijden is liefde.'
Want dat medelijden gevoelen wij: medelijden met het onschuldige, immers zondenvrij geboren dier; medelijden met de schuldeloos in de aarde gekluisterde boom; medelijden met de in de boeien der zonde geketende mens; medelijden met God.'

Gerard Reve, Verzameld werk deel 4 in Zelf schrijver worden Amsterdam/Antwerpen 2000 p. 450

dinsdag, april 27, 2004

'Maar dit terzijde'

'Ons leven is een sterven, aan de kant van de weg.
Maar dit terzijde.'


Gerard Reve in Brieven aan Simon Carmiggelt Utrecht/Antwerpen 1988 p.214

zondag, april 25, 2004

Eric verklaart de vogeltekenen (2)
Zie maar eens hoe de zon schijnt




'Als we ons in een kelderachtig vertrek bevonden, dacht hij, donker, armoedig en vochtig, en het was nacht, en de regen raasde en de wind loeide, en we zaten te wachten op een verschrikkelijke boodschap, te wachten tot ze iemand die verdronken was, druipend kwamen binnendragen, dan zouden we dicht bijeen zitten en niemand zou hard durven spreken. Maar het is helemaal geen nacht, en er is helemaal geen regen of storm. Zie maar eens hoe de zon schijnt.
Hij keek naar buiten. De zon stond nog hoog genoeg om, over het huis heen, het achterste gedeelte van de tuin te beschijnen. Een merel, of althans een vogel van gelijke grootte, huppelde daar over wat eens een grindpad was geweest, pikte driftig rond in de door regens verharde bodem en wandelde onder een groen geverfd, maar vreselijk verroest tafeltje door.
Het is wel een weemoedig gezicht, zulk een ruïneachtige tuin, dacht hij. Maar van storm of duisternis is geen sprake. Er is ook niemand verdronken, voor zover dat...'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.123, 124

zaterdag, april 24, 2004

Eric verklaart de vogeltekenen (1)



'Meeuwen in de stad in deze tijd van het jaar, dacht hij. Men moet zich wel afvragen wat dat te betekenen heeft. Hij tuurde aandachtig om zeker te zijn dat hij zich niet vergiste, maar de lange vleugels en trage vliegbewegingen lieten geen twijfel bestaan dat het zeemeeuwen waren. Hij telde er acht. Misschien waren ze door een storm of een onweer gedwongen in de richting van de stad te vliegen, maar het leek hem toch weer onwaarschijnlijk.
De meeuwen begonnen lager te vliegen en kwamen dichterbij.
Ik had toch liever dat jullie wegbleven, zei Eric bij zichzelf, omhoog ziend naar de vogels, die nu vlakbij, boven de straat, in steeds kleiner wordende kringen vlogen.........
De zeilende bewegingen van de vogels die hij nog kon zien, veranderden nu in geklapwiek, en het volgende moment hoorde hij de tikkende en schurende geluidjes van vogelpoten in de dakgoot en op het zink van het dak.
Ze zijn gedaald, dacht hij. Zou het een teken kunnen zijn?
Maar als het een teken is, wie kan het dan uitleggen?...'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.113


vrijdag, april 23, 2004

HoejoejoejoejoejoePidee!



'Doch luister! Het kan begrepen worden. De dans. Oudste kunst der mensheid!
Jawel! Zoek het op! Lees het na! Ziel en lichaam! Ziel hunkert naar het licht! (Hij hief, al voorttrappelend, beide armen plechtig omhoog.) Lichaam gekluisterd aan de aarde! Wij willen niet sterven! Joeppie! Joeppie! HoejoejoejoejoejoePidee! Hoei! Hoei! '

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.133

woensdag, april 21, 2004

'De verdediging van het boek is het boek zelf.'



"Mijn werk heeft voor eerlijke, volgroeide mensen eigenlijk geen verdediging van buiten het werk van node. Ik wil terzake refereren aan de woorden van mijn illustere kollega, Wladimir Nabokov, die over zijn schitterende roman Lolita, door zowel de wit-gele als de rode clerus gelijkelijk als obsceen veroordeeld, gezegd heeft: 'De verdediging van het boek is het boek zelf.' "

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 , Amsterdam/Antwerpen 2001 p.461

woensdag, april 14, 2004

Kunst

'Kunst is ingeblikt of anderszins verduurzaamd verdriet, ellende dus, dat kan ik U vertellen, al heeft zij wel iets met God te maken.'

Gerard Reve, in Het Boek van Violet en Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 99

dinsdag, april 13, 2004

Schaduw

" 'Schaduw', 'geheim', 'heimwee', jawel daar gaat hij weder zult U zeggen, wat een woorden allemaal: ik vind dat die man, die schrijver dus, dat die het zijn eigen af en toe wel erg moeilijk maakt. Maar daar antwoord ik, schrijver als zodanig, op: 'Is dat niet gewoon mijn plicht?.
Ik bedoel dus de plicht van mij om een groot, een machtig boek te schrijven, van het licht maar ook van de schaduw? En van de liefde, of is die geen ernstige zaak? "

Gerard Reve, in Het Boek van Violet en Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 196

maandag, april 12, 2004

Het zonnetje in huis



'Helaas is het de waarheid, en de waarheid is niet altijd het zonnetje in huis.'

Gerard Reve, in Het Boek van Violet en Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p. 224

zondag, april 11, 2004

Een nieuw Paaslied



Een Nieuw Paaslied

Zonder gedronken te hebben, prijs ik God.
Vandaag heb ik van alles meegemaakt.
Al voortwankelend in de benedenstad,
denkend aan de Uiteindelijke Dingen,
zag ik een jongen, vermoedelijk een Duitse toerist,
en volgde hem terwijl ik dacht:
ik zal je voor je reet geven of als dat niet kan
sla mij dan maar,
de hoofdzaak is dat we bezig zijn -
tot hij De Bijenkorf in ging en ik,
duizelig van geilheid tegen mensen opbotsend,
zijn spoor bijster raakte.
Nochtans werd ik niet moede, U te loven.
Want onbegrijpelijk groot zijn al Uw werken:
Gij, die het wezen gemaakt hebt
dat van achteren een kut en van voren een staart heeft.
Zoals gezegd, ik had niet eens gedronken, maar toch wilde ik
U schreiend eren en in tranen voor U knielen,
O Meester, Slaaf en Broeder, Geslachte en Verrezen God.
Al neuriënd en in het geheim profeterend
vervolgde ik mijn weg.
Toen zag ik Bet van Beeren, aan een wit tafeltje
tegenover haar cafee gezeten, pogend met mes en vork
een makreel te openen om deze in de zon te eten.
Ik dacht kijk. Wat is in de Natuur toch alles mooi gemaakt.
(Denk maar aan al die sterren met hun lichtjaren.)
Ik wilde wel naar een of andere avondmis,
maar er was er geen.

Gerard Kornelis van het Reve, Nader tot U G.A. Van Oorschot/Amsterdam 1966 p. 143

vrijdag, april 09, 2004

Treurzang op Goede Vrijdag

...................
Maar toon mij toch, als oogst van dit rampzalig leven,
één regel, die de moeite waard en leesbaar was.

Zie verder in:
Gerard Reve in: Verzamelde Gedichten, Amsterdam 1987 p.70

dinsdag, april 06, 2004

'Dona nobis silentium'

'Stilte, dat is een zeldzaam goed geworden, meneer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef ons stilte zeg ik altijd. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis silentium.'

Gerard Reve in Verzameld Werk, deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.574

woensdag, maart 31, 2004

'Een soort acrobaat was ik..mateloos bewonderd en aanbeden,
maar ook fel benijd en gehaat'


'De Vorstin keek peinzend, in diepe aandacht. Buiten, in de paleistuin, had de invallende schemering zich wederom verdicht; een tedere schaduw was over alles in het vertrek nedergedaald, en de zachte, milde trekken van het gelaat van Hare Genade waren nog maar deels te onderscheiden. Het was, alsof de vallende schemer mij als het ware bevrijdde door mij onzichtbaar te maken, zodat ik vrijmoediger zou durven spreken, uit het diepst van mijn hart, zonder schaamte... Hoe moest ik Hare Genade het uitleggen, en samenvatten, mijn leven...Een soort acrobaat was ik, ja...het was waar...een trapeze-artiest en waaghals, mateloos bewonderd en aanbeden, maar ook fel benijd en gehaat...door tallozen...'

Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.175

dinsdag, maart 30, 2004

'Ja Mevrouw...dat ben ik. Een jongen van een circus'

'De Vorstin wendde haar gezicht naar mij toe, en keek mij aan. Haar gelaatstrekken waren nu bijna geheel in het schemerdonker opgelost, maar haar tedere, wijze ogen lichtten nog op in de laatste glans van het daglicht.
'Is het zo... zoals U het schildert, Mijnheer? fluisterde zij. "Gevoelt U zich zo..als was U..een jongen..van een circus?...'
Ik haalde diep adem. 'Ja Mevrouw,'sprak ik, 'dat ben ik...
Een jongen van een circus...Dat ben ik altijd geweest, Mevrouw...En dat zal ik altijd blijven, zolang als ik leef: een circusjongen..."

Gerard Reve, in Verzameld Werk, Deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.177

vrijdag, maart 26, 2004

Een tevreden lezer is geen onruststoker

'Alles is krankzinnig, maar toch zijn het twee gangbare personen: de tevreden lezer (die "geen onruststoker" is) en de geboren miesmacher die niets ziet, niets weet, nog nooit iets gelezen heeft (hij draagt wat een matglazen bril gelijkt) en precies schreeuwt wat er verwacht wordt.'

Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen 1993 p.258

woensdag, maart 24, 2004

'Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand'

'Ik herinner mij een uitlating van Gerard den Brabander van slechts enkele jaren geleden, tijdens een ietwat schemerige gedachtenwisseling over Leven, Dood, en Eeuwigheid. "Als er daarginds geen kroegen zijn, interesseert het me geen bal", luidde toen zijn conclusie. Of er een daarginds is, of niet, dat weet niemand. Maar áls er een daarginds is, en als God Liefde is, dan zijn er daar ook kroegen. Amen.' Valse pathetiek of echte pathetiek, als het maar pathetiek is. Gevoel desnoods zo vals als schuim -als het maar gevoel is. Zo denk ik erover.'

Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.76

dinsdag, maart 23, 2004

Wij zijn 'alleen maar God'

'De omgang met mensen is niet eenvoudig. Ik ben nu de ergste mensen kwijt, maar jij en ik zullen altijd belaagd blijven door mensen, die je weliswaar niet aktief in de grond willen stampen, maar je toch graag in hun eigen moeras onder water zouden willen medetrekken, waarin zij zelf bezig zijn te verzuipen. Als ze zeggen, dat niets zin heeft, dan hebben ze gelijk, maar dat geldt toch ook voor hun eigen gelul. Ons leven heeft geen zin in zichzelf: het krijgt pas zin als wij God er in herkennen. Wij zijn 'alleen maar God', om het ietwat paradoksaal uit te drukken.'

Gerard Reve in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.75

zondag, maart 21, 2004



'Wij zijn onsterfelijk en eeuwig, maar we hebben daar in ons leven weinig aan, behalve dat je het wat kalmer aan kunt doen dan iemand die denkt dat hij echt bestaat en daarom ook echt moet sterven.'

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.78


zaterdag, maart 20, 2004

'Om veertien minuten voor tienen al naar Westerveld'

'Gisteren zag ik in de tuin een grijze nachtachtige vlinder met twee slurven driftig de bloesems van Afrikaantjes van honig ledigen. Ik bedacht dat die vlinder om kwart vóór zes al van Drees zou trekken, en om veertien minuten voor tienen al naar Westerveld zou moeten.'

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.70



vrijdag, maart 19, 2004

"Niet verder dan in de hal'



'Over Liefde en levensgeluk praten en iets zeggen dat geen tautologie is, kan alleen als je van metafysische vertrekpunten uitgaat. Wetenschap is mooi en nuttig, als je haar maar niet verder binnenlaat dan in de hal.'

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.51

donderdag, maart 18, 2004

'Geen normaal mens'

'Mijn oude vader klaagde altijd dat in mijn boeken 'geen normaal mens voorkwam. Maar wat wil je? (Ik moet toch nog eens een keer een normaal mens van dichtbij mogen zien. Ben jij er wel eens een tegengekomen?)

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.40

woensdag, maart 17, 2004

'Zo is het'.

'Toch zijn we heel gelukkig, terwijl er een heleboel zijn die rustig zeggen dat er geen God is. maar dat is niet zo. Ik bedoel, die atheïsten die beweren dat God niet bestaat - dat komt alleen maar omdat zíj niet bestaan! Zo is het.'

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.36

maandag, maart 15, 2004

'Een onstilbaar verlangen'



'Ik heb een onstilbaar verlangen naar vervoering, roes, naar iets dat mij zou kunnen betoveren en meevoeren: iets, waarvan ik zou kunnen erkennen, dat het groter was dan ik zelf. (En toch is het Koninkrijk binnen in U en 'reeds temidden van Ulieden'.

Gerard Reve in: Brieven aan Wim B. 1968-1975 Utrecht MCMLXXXIII p.34

donderdag, maart 11, 2004

'Niet bizonder, maar wel ongewoon'

'Al met al heb ik een raar leven gehad, als ik erover nadenk. Niet bizonder, maar wel ongewoon, dat is misschien het juiste woord. Er schijnt in dat leven een voorzienigheid op te treden, niet een die mij ergens naar toe helpt of raad geeft, maar die mij steeds opnieuw aan iets doet ontsnappen zonder dat ik dat zelf weet. Vrolijker heeft die voorzienigheid mijn bestaan niet gemaakt, maar er misschien wel richting aan gegeven. Niettemin staan wij voor een raadsel; wij zien in de spiegel van duistere rede, en ik denk dat het ook zo moet zijn.'

Gerard Reve in: Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.71, 72

woensdag, maart 10, 2004

"Eigenlijk geloof ik maar één ding..."

' 'Eigenlijk", sprak ik langzaam, "eigenlijk geloof ik maar één ding... Ik geloof maar één enkel ding...'
'En dat is?..' vroeg professor Hemelsoet.
'Ik geloof maar één ding', herhaalde ik langzaam. Eén enkel ding...dat, nou ja...
"mijn hoop is in leven en sterven", zo heet dat toch...Eén enkel ding...Maar dat kan ik niet uitspreken...' Ik gevoelde mij duizelig worden. Er viel een zwijgen.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.289

zondag, maart 07, 2004

'Noch hij noch ik hadden dat beschikt'

'Het was te veel, alles wat ik in deze twee laatste sekonden dacht en gevoelde en tot een slotsom wilde voeren, maar op het bijna allerlaatste ogenblik, voordat ik de jongen zoude zien, en terwijl hij de laatste overloop onder mij reeds was gepasseerd, kwam er een wondere kalmte over mij, bijna weldadig als een vrede: er viel niets te besluiten, want het was noch de jongen zelf, die de beslissing had genomen mij te komen opzoeken, net zo min als het mijn eigen wil was geweest, die mij bewogen had op het station op het allerlaatste moment uit het treinportier mijn visitekaartje aan te reiken. Neen: hij was gekomen, en hij zoude weggaan -en heel misschien ooit, en naar alle waarschijnlijkheid nimmer meer terugkomen- maar noch hij noch ik hadden dat beschikt of zouden thans iets beschiken, omdat alles reeds, vóór alle tijden, door Iemand anders beschikt was geworden.'

Gerard Reve in Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.198,199

vrijdag, maart 05, 2004

'Het einde der tijden schijnt wel op handen te zijn'

'Het wordt, denk ik, steeds moeilijker over enig ernstig onderwerp een gesprek te voeren, waarin de ander na acht seconden nog weet wat hij zojuist heeft gezegd. Het einde der tijden schijnt wel op handen te zijn.'

Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 1 Amsterdam/Antwerpen 1998 p.647

vrijdag, februari 27, 2004

'Ergens op een stenen brug



'In die nacht had ik opnieuw, als zo dikwijls, vastgesteld dat van huis uit mij nooit veel gelukt was. Als ik mijn jeugd opnieuw moest samenvatten, dan was dit het beeld: er was schraal, rossig zonlicht, laat in de namiddag, en ik stond ergens op een stenen brug, en het woei, fel en koud, zonder ophouden -misschien was daar wel de eigenlijke geschiedenis van mijn leven begonnen.'

Gerard Reve in Verzameld Werk Deel 3, Een Circusjongen Amsterdam/Antwerpen 1999 p. 45

donderdag, februari 26, 2004

Je doel bereiken

'Je moest doen wat je kon doen, ja, dat was zo, en je moest datgene doen waarmede je de meeste kans had om je doel te bereiken. deed je méér, dan bereikte je niets méér, maar schoot je bijna altijd het doel voorbij.'

Gerard Reve, in Verzameld Werk deel 5 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.331


woensdag, februari 25, 2004

'Ik behoef niets te verzinnen'

'Ik behoef niets te verzinnen. Wel heb ik in mijn werk de werkelijkheid wel eens moeten afzwakken, omdat zij ongeloofwaardiger kan zijn dan de stoutste fantasie.'

Gerard Reve, in Verzameld Werk Deel 5 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.485

dinsdag, februari 24, 2004

'Alles betekende iets'

'Alles betekende iets, meende Treger, en alles had met elkaar te maken. Was het waar dat iets wat geweest was niet meer bestond, zoals iedereen behalve hij geloofde? "De naam," dacht hij. "Wat is daarvan de naam?" Hij wist niet wat die plotselinge gedachte betekende.'

Gerard Reve in Bezorgde Ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p. 51

maandag, februari 23, 2004

Een probaat middel



'Ik weet een middel om van een oude kop nog een betrekkelijk nieuwe te maken. Je wast des avonds je gezicht, wrijft het dan in met lanolinekrem, en gaat er dan mede voor een warmtelamp zitten. Dan naar bed. 's Morgens goed wassen en het resultaat valt werkelijk mede.'

Gerard Reve/Willem Nijholt Met niks begonnen Amsterdam/Antwerpen, tweede druk p.29, 30

vrijdag, februari 20, 2004

Reisgebed



'O God. Ik sta op het punt op reis te gaan. Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is. Ik wil U liefhebben. Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen. Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken. Ik sta voor U. Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor. Want in leven en sterven zijt Gij in mij, en ben ik in U. Ik ga nu weg. Vaarwel, o God'

uit: Gerard Reve, Brieven van een aardappeleter, Amsterdam 1993, vierde druk, p.94

donderdag, februari 19, 2004

'Eén lange vlucht voor de Dood'

'Een mens kon zijn eigen zo gek maken als hij zelf wilde, maar wat had men daaraan? Gevaren, ja, die waren er, want het gehele leven was immers één lange en gevaarlijke reis, één bange vlucht dus, ja voor wat? Had ik dat ergens gelezen? Eén Bange Vlucht Voor De Dood? Waarschijnlijk wel, want zoiets bedacht je zelf niet, als je goed bij je verstand was.'

Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.225,226

woensdag, februari 18, 2004

'Gode welgevallig'

'Ook het leven van een oude man of vrouw met een poes en geraniums achter het raam, die twee maal per dag een blokje om wandelt, en verder alleen maar wat leest en peinst, is Gode welgevallig'.

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.239



dinsdag, februari 17, 2004

'In den beginne was het Woord'

"Voor mij is het schrijven van een lange brief een magiese noodzaak. Alles boezemt mij angst en verlatenheid in, waar ik ook ben, maar ik kan de 'werkelijkheid' om mij heen door het schrijven bezweren. Zo enige regel uit de Schrift, dan is deze voor mij absoluut waar: 'In den beginne was het Woord.' "

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.149

maandag, februari 16, 2004

'Alles is één'

'(Alles is één, III) of men zich nu Parijs, Lissabon, Sevilla of Harrow & Wheelstone bevindt: het ledikant met de koperen ballen, immer de vrees oproepend van eenzaam te zullen sterven; het nachtkastje met marmeren blad erop en sinaasappelschillen erin; het voor schrijven te lage en ook verder nutteloze, opklapbare tafeltje, dat hup-hup doet, omdat de vierde poot een flink eind boven de vloer blijft, wat altijd, bij het klandestien inschenken van het eerste glas rode wijn, een fikse gulp over de kledij doet gaan; het kabinetje dat noch tafel, noch burootje is, en waaraan dan ook schrijven eveneens onmogelijk is; de dubbeldeurige hangkast met spiegels, die via depressies tot reeksen van overmatige masturbatie leidt; de twee lampjes, één boven het bed en een ander aan het plafond, met soms nog een derde boven de wastafel 'die vrijwel nooit met hun drieën tegelijk kunnen branden, hoewel ze samen zelden de 75 Watt te boven gaan; en tenslotte, de reeds eerder genoemde vitrage waardoorheen, in alle steden der aarde, hetzelfde gezeefde licht naar binnen valt, waardoor Vastgebonden Jongens gemarteld zouden moeten worden, die er natuurlijk niet zijn, zeker niet in een derdeklashotel...'

Gerard kornelis van het Reve, Op Weg naar het Einde Amsterdam 1966 p.154

zondag, februari 15, 2004

Alles wat ik over dat Ene heb gezegd...



'Dat denk ik ook,' beaam ik. 'God gaat de ene Zondag naar de katholieke kerk, en de andere Zondag gaat Hij naar de protestantse kerk.'
Terwijl ik dit zeg, bevangen mij een onbegrijpelijk verdriet, en angst, en twijfel, en ik moet denken aan alles wat ik over dat Ene heb gezegd en geschreven en geloofd en verworpen heb, in mijn verspilde leven van opgejaagde clown; wat weet ik ervan af: wie, en waar, en hoe, en òf Hij is, en naar welke kerk Hij gaat?...'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 3 Amsterdam/Antwerpen 1999 p.189

zaterdag, februari 14, 2004

Een nog groter wonder..

"Als het wonder geschied was, en je hield dan toch nog iets van iemand, dan was dat een nog groter wonder. Tranen kreeg ik ervan in mijn ogen.
'Mooi is de natuur, Woelrat.' "

Gerard Kornelis van het Reve, in De Taal der Liefde Amsterdam 1972 p.183

vrijdag, februari 13, 2004

Nooit was ik zo dicht bij hem geweest

'Slechts enkele meters scheidden mij van het wezen, dat ik zou willen aanbidden en waarvoor ik zou willen knielen: nooit was ik zo dicht bij hem geweest, maar nooit, in alle tijd en eeuwigheid, zou het mij vergund zijn dichter bij hem te geraken dan ik nu was.'

Gerard Reve in Oud en Eenzaam Amsterdam/Brussel MCMLXXVIII p.265

woensdag, februari 11, 2004

Een ongelukkige jeugd...maar ik maak er nooit misbruik van '

'Men spreekt van de onbezorgde jongenstijd,' mijmerde Treger voort. 'Bestaat zoiets?' Waar halen de mensen dat vandaan? Treger verzette zich zo lang mogelijk regen de zich aandienende herinneringen aan lang geleden, maar hij kon ze niet altijd het zwijgen opleggen. 'Nee, geen erg gelukkige tijd', mompelde hij. 'Ik was eigenlijk een erg ongelukkig kind. Een ongelukkige jeugd, zo heet dat toch? Maar ik maak er nooit misbruik van '

Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.102

dinsdag, februari 10, 2004

'Want God Die zat heus niet stil'

'Ik kom hem tegen, ik zie hem terug, het kan kort of het kan lang duren,' hield Treger zich voor. 'De dingen gaan een keer nemen, eindelijk, en een keer ten goede.'
Ja op den duur gingen de dingen de goede kant uit, als je maar geduld en vertrouwen had, want God Die zat heus niet stil.'

Gerard Reve in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.218

zondag, februari 08, 2004

Tobben



'Men moet niet nodeloos tobben.'

Gerad Reve in Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.261

zaterdag, februari 07, 2004

'Ontboei mij, Moeder...maak mij vrij'




Maria Middelares beeld van Aloïs De Beule uit Gent
Fraterniteit Ieper

'Ontboei mij, Moeder...maak mij vrij,' fluisterde hij opeens.
Dat was het! Hoe was het mogelijk! En vrij, dat rijmde op ik weet niet wat allemaal, zo maar een gave...Neen, dat kon niemand hem afnemen.
'Neem van mij af...' fluisterde Treger, opeens in volle vervoering gerakend. Maar wat moest Zij van hem afnemen? Nu ja, te veel om op te noemen, maar Treger wees die frivole overweging af, want deze plotselinge inzet van een derde regel, die mocht er zijn...'Neem van mij af...'prevelde hij, bijna niet meer aarzelend. "Neem van mij af...de...de...ketenen der zonde.'

Gerard Reve Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.121

vrijdag, februari 06, 2004

Niet zonder hoop

"Stof tot stof," mompelde hij.
"As tot as. Maar niet zonder hoop."

Gerard Reve, in Bezorgde ouders Utrecht/Antwerpen 1989 p.138

woensdag, februari 04, 2004

De taboes God en de Dood

'Taboes doorbreken is niet, zoals men lastert, mijn ambitie, en seksuele taboes tast ik in ieder geval niet aan, want die hebben in de Nederlandse literatuur allang afgedaan; twee andere taboes doorbreek ik, zij het zonder opzet en zonder zucht tot opspraak, wel, zulks tot grote woede van de aanhangers van het rationalisme en van dat andere bijgeloof, de surrogaat-filosofie die histories materialisme heet: Ik bedoel de taboes God en de Dood. Het geeft in Nederland aanstoot, indien men zijn heimwee naar God belijdt, en de Dood de plaats geeft, die hem toekomt.'

Gerard Reve in: Brieven van een aardappeleter Amsterdam/Antwerpen 1993 p.97, 98

dinsdag, februari 03, 2004

Groenten & aardappelen



'Ik heb ontdekt, dat het literair van belang is, wat een huisvrouw in een bepaald jaar, in een bepaalde portiek, verklaart aangaande de verhouding, in hoeveelheid, tussen groenten & aardappelen op een bord. Die ontdekking heeft mij jaren gekost, maar die stuur ik je gratis & voor niks, gewoon als kunstbroeder aan kunstbroeder.'

Gerard Reve in Schoon Schip 1945-1984 Amsterdam MCMLXXXIV p.207

zaterdag, januari 31, 2004

Ik zou de mensheid & de wereld willen verlossen

' Sommige mensen kunnen aandachtige onderwerpen tijdelijk van zich afzetten -ik kan dat nooit. Ik praat lachend over alles, maar denk maar aan één ding. Ik zou de mensheid & de wereld door een grote daad of inzet willen verlossen, maar ik zou niet weten hoe: ik ben, om te beginnen, zelve het Licht niet & hoe zou ik kunnen getuigen van het Licht, als ik dat nergens zie? '

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975 Amsterdam 1981 p.181, 182

vrijdag, januari 30, 2004

Sprakeloos

'Ik kniel wel eens neer, als niemand me ziet, sprakeloos, want ik weet niet, wat te zeggen of bij mezelf te denken. Ik zal nooit, in leven of dood, God zien 'van aangezicht tot aangezicht', en die wetenschap valt mij zwaar -soms tè zwaar.'

Gerard Reve, Brieven aan Josine M. 1959-1975 Amsterdam 1981 p.181

donderdag, januari 22, 2004

'Wie in staat is onvoorwaardelijk lief te hebben, heeft de Dood overwonnen'

'Toch smaak ik, naarmate ik ouder word, behalve de overvloedige wanhoop, ook af en toe een gevoel van vrede. Ook begin ik iets meer te begrijpen van wat de mensen en mijzelf beweegt. Het is verschrikkelijk dat we op het laatst weg moeten, maar het is ook goed, hoe zal ik het zeggen. Zonder dood zou het leven toch geen zin kunnen hebben, als je begrijpt wat ik bedoel. En wie in staat is onvoorwaardelijk lief te hebben, heeft de Dood overwonnen, en is eeuwig.'

Gerard Reve, in Brieven aan Frans P. 1965-1969 Utrecht MCMLXXXIV p.78

woensdag, januari 21, 2004

'Zoals de parel in de oester'



'In het algemeen zou gezond verstand geen luxe zijn voor die hele gemeente van verstandelijk misdeelden, die de kunst, inzonderheid die der letterkunde, als iets beschouwen dat belangrijker en van een edeler plan zou zijn dan wetenschap en techniek. Ik houd het voor mogelijk, dat de kunst, zoals de parel in de oester, een ziekteverschijnsel is, dat ophoudt te bestaan, of liever gezegd in een bepaalde maatschappij waarin de mens gelukkig is en bevrijd van vrees, geen betekenis meer heeft, voor niemand. Ik zeg niet dat dat zo is, maar het is aardig dit eens in ernst te durven overdenken.'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.99
(bijdrage: "De Overschatting" in De Groene Amsterdammer, 14 februari 1948)

dinsdag, januari 20, 2004

Ijdel..met inachtneming van drie dingen

'Ik kan me niet voorstellen dat enig mens ijdeler is dan ik, maar er is verschil in verschijningsvormen. Ieder moet ijdel zijn, echter met inachtneming van drie dingen: beheersing, goede smaak en gezond verstand. Dit laatste vooral om tegenover de overschatting de juiste houding in te nemen.'

Gerard Reve in Verzameld Werk deel 6 Amsterdam/Antwerpen 2001 p.99
(bijdrage: "De Overschatting" in De Groene Amsterdammer, 14 februari 1948)

maandag, januari 19, 2004

Zou waarachtige liefde ooit vergeefs kunnen zijn?

'De liefde...,' sprak de Vorstin zachtjes voor zich heen als in een mijmering.
'Zij is immers het enige waarin ik geloof,' fluisterde ik.
Opnieuw was er een zwijgen.
'Wat denkt Uwe Genade?' begon ik te spreken. 'Zou echte liefde, zou waarachtige liefde ooit...vergeefs kunnen zijn...als ware zij nimmer geweest...'
'De liefde vergaat nimmermeer, Mijnheer'.
'Gelooft Uwe Genade dat?'
Het staat toch geschreven, Mijnheer..in eeuwigheid?
Twijfelt u daaraan?


Gerard Reve, Verzameld Werk deel 3, Een Circusjongen, Amsterdam/Antwerpen 1999 p.139

zondag, januari 18, 2004

De enige zekerheid

'...-hoe ouder ik word en hoe hartstochtelijker ik honger en dorst naar Gods Uiteindelijke Gerechtigheid, hoe onzinniger mij tevens elke concrete heilsverwachting voorkomt, en ook, hoe meer ik neig naar de overtuiging, dat de enige zekerheid die het leven ons biedt, die is van de Dood.'

Gerard Kornelis van het Reve, in Op Weg Naar Het Einde Amsterdam 1966 p.51

woensdag, januari 14, 2004

'Die vogel zong gewoon Pro Deo'

'De aria van de merel deed Wessel aan een hymne denken van een beroemd buitenlands dichter, maar Wessel kon niet op diens naam komen. Was dat dan nodig? Die vogel wist toch zelf wel voor wie of wat hij zong? Die vogel zong gewoon Pro Deo, zonder betaling dus, om eenzame mensen te troosten.'

Gerard Reve, in Het hijgend hert, Amsterdam/Antwerpen 1989 p.178

zondag, januari 11, 2004

De Liefde is sterker dan de Dood

"De liefde was sterker dan de dood, dat stond zelfs in Gods eeuwig Woord, dus het was waar, maar de dood won altijd, dat leerde de ervaring. Alleen wanneer hij kwam dat wist je niet. Het was een soort levend voetbal."

Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood Amsterdam/Antwerpen 1996 p.33

zaterdag, januari 10, 2004

In de zekerheid des Doods, maar in de onzekerheid van de ure van dien


afbeelding: astronomische klok kathedraal Notre-Dame in Straatsburg

In de zekerheid des Doods, maar in de onzekerheid van de ure van dien, heb ik besloten dat ik niet langer mag wachten, maar dat ik vandaag nog, op ditzelfde ogenblik, te kwart over één in de namiddag, bij een zoemende wind en een telkens tot 'het weer van alle mensen' openscheurende hemel, door het neerschrijven van deze en geen andere zin, Het Boek Van Het Violet En De Dood moet beginnen, opdat, wanneer de Dood mij zal hebben ingehaald, er misschien van alles wat ik eens zou moeten bekennen, althans iets, zij het een allergeringst, onduidelijk en ternauwernood begrijpelijk deel, op schrift gesteld zal zijn.

Gerard Kornelis van het Reve, Nader tot u Amsterdam 1966 p. 13, in Brief uit het verleden

woensdag, januari 07, 2004

Het zit altijd goed

'Je gaat dood of je blijft leven, het zit altijd goed.'


uitspraak van Gerard Reve in: Peter van Bergen, 'Lieve Gerard (enz)', Vrij Nederland 12 december 1998

dinsdag, januari 06, 2004

De dood kan het leven niet vatten


Gustav Klimt Death and Life
1916


'Het leven kan de dood begrijpen, maar de dood kan het leven niet vatten.'


context:
'De marxistiese geschiedschrijving kan de idee van de religie niet begrijpen, omdat zij zelve, als leer, een hersenloze tautologie is die geen enkele werkelijke idee bevat: het leven kan de dood begrijpen, maar de dood kan het leven niet vatten.'

Gerard Reve Moeder en Zoon Amsterdam/Antwerpen MCMLXXX p.57

maandag, januari 05, 2004

Het één of het ander (3)

Of je bent een halve meeloper, of je beukt genadeloos op elke communist, derde wegman en capitulant los.
...
Nogmaals, ik bedoel het zo: ik geloof niet dat je iets bereikt door het publiek met een elck wat wils politiek te paaien. De principiële mensen vervreemd je van je, terwijl je nergens gezag verwerft.

Gerard Reve, in Brieven aan geschoolde arbeiders, brief aan Sal Tas 18 october 1959 Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.12


zondag, januari 04, 2004

Het één of het ander (2)

Of je bent politiek bewust en hebt zin je ermee te bemoeien, of je wijst elke politieke bemoeienis af. Of je besluit zonder aanzien des persoons te gaan recenseren, of je maakt er een Het Boek Van NU van.

Gerard Reve, in Brieven aan geschoolde arbeiders, brief aan Sal Tas 18 october 1959 Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p.12

zaterdag, januari 03, 2004

Het één of het ander (1)

Ik ben altijd iemand die de dingen graag in tweeën of drieën deelt, beslissingen wil en geen gelul. Ik bedoel: altijd het een of het ander, en geen halfslachtigheid. Of je gaat met de mode mee, en er komt een blad vol gekke vlekken en snobistische onzin en een omslag waarvan de letters niet te lezen zijn en op zijn minst diagonaal neergezet zijn, maar dan moet je het goed en geraffineerd doen -of je komt alleen met gedrukte tekst zonder grafiek.

Gerard Reve, in Brieven aan Geschoolde Arbeiders, brief aan Sal Tas 18 october 1959 Utrecht/Antwerpen MCMLXXXV p. 11,12

vrijdag, januari 02, 2004

Vier is een mooi getal


2004

Vier is trouwens een mooi getal. Het is het getal van het Leven, en van het Kruis. En wij kennen niet drie, of vijf, maar vier elementen, vier temperamenten, vier windstreken, vier jaargetijden, vier evangeliën, enzovoorts.

Gerard Reve in Verzameld werk deel 4, Amsterdam/Antwerpen 2000, p.433
 
Tweets van @Revetwalender